Geef uw mening!
Stuur uw brieven, foto's, afbeeldingen, filmpjes of cartoons naar
theo.kooijmans@gmail.com
Maak het niet te bont. De redactie behoudt zich het recht voor om inzendingen zonder opgaaf van redenen te weigeren.

vrijdag 11 april 2008

Zorgen over Hart van Dieren: een voorbeeld - Juli 2005

Nog wat context. Wij (Leefbaar Rheden) hadden in 2005 al grote zorg over Hart van Dieren. De lichtzinnigheid waarmee de raad en de bestuurlijk verantwoordelijken voor het project met het Hart van Dieren omgingen was voor mij onbegrijpelijk. In mei 2005 was onze motie voor een stevige projectcontrole en audits op het project al van tafel geveegd.

In mei 2005 had ik vragen gesteld over de Businesscase 2005.

Het antwoord liet maar op zich wachten. Het was inmiddels al juli en op mijn verzoek heeft onze toenmalige wethouder Kees Hermsen wat druk op de ketel gezet om vaart te maken met de beantwoording. Hij maakt daar via mail melding van.

In de mailwisseling ga ik o.a. in op de bewering van de provincie en de gemeente dat regionale partijen 70 miljoen euro zouden bijdragen. Dat was volgens mij namelijk luchtfietserij.

Deze mailwisseling geeft perfect aan hoe groot onze zorgen over het project toen (juli 2005) al waren. Ik was er toen (juli 2005) ook al van overtuigd dat het project in de soep zou draaien.

De vragen werden overigens nog veel later beantwoord. Die antwoorden vielen onder de geheimhoudingsplicht en kan ik u daarom niet laten zien. Ik kan u wel zeggen : het was draaien en mieren en ik werd er niet wijzer van.

- De betreffende vragen zijn onder de mails toegevoegd.
- De documenten waarop gedoeld wordt, de voorstellen voor de overgang van de haalbaarheidsfase naar de planfase voor Provinciale Staten (SYS_230) en de Gemeenteraad (50501V Project Hart van Dieren) zijn daarna toegevoegd.

Het zijn lappen tekst maar wel weer interessant om nog eens door te nemen. Bijvoorbeeld de stukjes over "solide" businesscases.(vetgedrukt)

De passages waar ik in de mail op doel (de "gele" passages) heb ik in dit bericht vetgedrukt en vergroot weergegeven.


-----------------------------------------------
De mailwisseling
-----------------------------------------------

From: Theo Kooijmans [theo.kooijmans@tiscali.nl]
Sent: zaterdag 9 juli 2005 1:14
To: 'C.H. Hermsen'
Subject: RE: Vragen leefbaar Rheden Hart van Dieren

Hoi Kees,

Dank voor je inspanningen.

Om nog eens een en ander duidelijk te maken bijgaand de stukken van zowel provincie als gemeente waarin wordt gewezen op de bijdragen van de regionale partijen van € 70 miljoen.

Document SYS_230.doc is het voorstel van de provincie. In de tekst van het hoofdstuk “Terugblik op haalbaarheidsfase/projecthistorie” heb ik de betreffende zinsneden (2x) geel gemarkeerd. Ik heb het nog eens nagelezen. Het is nog erger dan ik dacht. Hier staat zelfs dat provincie en gemeente oorspronkelijk resp. € 22,7 miljoen en € 11,4 miljoen = samen € 34,1 miljoen van de € 70 miljoen zouden bijdragen. Het gat naar € 70 miljoen is dus nog groter. De bijdrage van provincie en gemeente zou zelfs minder dan de helft van de bijdrage van de regionale partijen zijn. Anderen regionale partijen zouden oorspronkelijk dus meer dan € 35 miljoen opbrengen. Prorail en KAN hebben enkele miljoenen bijgedragen maar dan komen we bij lange na nog niet aan € 35 m.

50501V Project Hart van Dieren.doc is het voorstel van de gemeente. In de tekst van paragraaf 4 Argumenten heb ik de betreffende zinsneden (2x) eveneens geel gemarkeerd.

Als de toezeggingen van de overige regionale partijen (ten bedrage van meer dan € 35 miljoen) waren nagekomen dan had het oorspronkelijke plan, VOLLEDIGE ONDERTUNNELING, kunnen worden uitgevoerd.

Ik begrijp dat het niet eenvoudig is om alles recht te praten maar dat is eigen schuld. Het college heeft de betreffende teksten echt zelf tot twee keer toe nadrukkelijk in de teksten opgenomen.

Het gat naar € 70 miljoen is inmiddels gedeeltelijk opgevuld door het verhogen van de bijdragen van provincie en gemeente en vervolgens creatief rekenen met marktdruk en kasritmes. Nog ’n toefje grondexploitatie erbij en we komen ’n heel eind. Maar het blijft een feit dat onderweg domweg tientallen miljoenen aan regionale bijdragen in nevel is opgelost.

Een afdoende verklaring kan men daarvoor in ieder geval niet geven. Of het moet zo zijn dat er helemaal geen € 70 miljoen aan regionale bijdragen was toegezegd maar dat niet durft toe te geven. Dat zou nl. betekenen dat er eens iemand (of misschien wel meer mensen) iets uit zijn duim heeft gezogen en dat zou politieke consequenties hebben. En dat willen we met zijn allen niet. Toch?

Enfin, het is niet anders. Laat dit onderwerp maar verder rusten. Raad en college houden voorlopig hun oogkleppen op. Intussen wachten we op nieuwe creatieve ideeën voor het dichten van de financiële gaten van Hart van Dieren (met als uiteindelijk resultaat een lichtere gemeentekas). Tot aan de raadsenquête die ongetwijfeld in de toekomst aan de orde komt.

Voor het zover is werpen we de raad ’n paar brokjes toe waarmee ze zich kan vermaken: eerst en vooral dikke documenten waarmee ze zoet zijn, af en toe ‘n bezuinigingkje van ’n paar duizend euro, ’n kunstwerkje dat ’s winters op stal moet, hier en daar ’n boompje weghalen zodat bewoners op hun achterste benen gaan staan en daarvoor de raadsleden aanspreken, de kapvergunning uitbreiden tot 21 centimeter of ’n klein bedrijfje wegpesten uit de bebouwde kom. Speelgoed genoeg.

Ik begin ’n beetje op toeren te komen maar ik wordt ook cynisch. Da’s niet goed. Laat ik dus maar ophouden.

Voor de goede orde. Het ligt allemaal zeker niet aan jou of jouw functioneren. Wij zijn daar uiterst tevreden over.

hartelijke groet en prettige vakantie,
Theo

________________________________________
Van: C.H. Hermsen
Verzonden: vrijdag 8 juli 2005 11:03
Aan: theo.kooijmans@tiscali.nl
Onderwerp: Fw: Vragen leefbaar Rheden Hart van Dieren

Dag Theo,
Hierbij ter kennisname mijn steuntje in de rug voor adequate informatie op jouw vragen. Ik hoop daarmee helder te krijgen dat de provincie verantwoordelijk is voor het gat van 12 miljoen op de positie van Prorail. (businesscasae 2004 -2005: opbrengst min 7 mil, kosten plus 5 mil is gat 12 mil (=10%) op project.)
Ik puzzel voort.

Overigens heeft Johan Hollemans zijn excuses aangeboden aan mij dat hij jou niet had gevraagd voor het voor-raad-overleg. Hij is van plan jou te bellen en het zelfde te doen, maar misschien is dat al gebeurt.
Hartelijke groet,
Kees Hermsen

----- Original Message -----
From: C.H. Hermsen
To:
Sent: Friday, July 08, 2005 10:53 AM
Subject: Vragen leefbaar Rheden Hart van Dieren

Dag Alex,
Dank voor je telefoontje dat er nog gewerkt wordt aan beantwoording van de vragen.Toch alvast een korte reactie op je suggestie dat het niet lijkt dat regiopartijen hun bijdrage hebben verlaagd.

Zoals ik de vraag van Theo interpreteer wil hij o.a. weten waar het grote gat in de businesscase is ontstaan. Als de mogelijke suggestie van regiopartijen nu niet juist blijkt te zijn dan verwacht hij natuurlijk wel antwoord op de vraag hoe het dan wel zit. Zo ken ik hem tenminste ondertussen.

Als dat dan in de positie van Prorail zit, want andere mogelijkheden zijn er niet volgens mij, dan graag een overzicht hoe de positie van Prorail in de businesscase is veranderd in de loop van de tijd.

Waar naar mijn waarneming Theo mee worstelt is het vraagstuk risico-omvang en verantwoordelijkheidverdeling daarvoor. Er waren twee en er zijn nu vier eigenstandige partijen, gemeente, provincie eerst, nu uitgebreid met Prorail en een projectorganisatie. Wie was in het voortraject waarvoor verantwoordelijk? Gemeente RO provincie Infra bijvoorbeeld, denk ik dan, maar was/is dat ook zo?

Nu met de projectorganisatie ontstaat een nieuwe, extra organisatie. Wat betekent dat voor de (verschuiving van) verantwoordelijkheidsverdeling? En daarmee voor het risico?

Deze vragen onstaan natuurlijk tegen de achtergrond van een onbehaaglijk gevoel dat met 15% marktdruk op infrarealisatie het project sluitend is gerekend. Klopt het overigens wel dat de aannames over marktdruk zijn verhoogd in het project? Hoe zat dat?

Uiteindelijk draait het natuurlijk om de vraag hoe en door wie een onverhoopte tegenvaller wordt afgedekt.Ik schat dat Theo andere risico's dan voor RO voor de gemeente uitsluit. Klopt deze aanname met de werkelijkheid?

Zoals ik je ook verteld heb gaat er een wereld van zorgen schuil achter de vragen van Leefbaar Rheden, juist omdat ze het belang van een succesvol project Hart van Dieren onderschrijven. Daarom ook zijn insteek om vanuit de gemeente goede "checks and balances" op de projectuitvoering te organiseren. Maar dat is een ander onderwerp.

Ik hoop dat deze verheldering helpt om de gestelde vragen goed te beantwoorden. Ik help nu een beetje, maar bij twijfel kun je natuurlijk altijd Theo zelf bellen.
Succes,
Kees Hermsen


-----------------------------------------------
De vragen van Leefbaar Rheden (dd 23-05-2005)
-----------------------------------------------

1. Het oorspronkelijke plan ging uit van een budget van € 140 – 150 Miljoen met een rijksbijdrage van € 70 miljoen. Daarna heeft de rijksoverheid de financiering teruggebracht naar € 50 miljoen. Dit mede op basis van de zgn 8-min variant.
Waarop werd deze 8-min variant toen (ten tijde van de presentatie van deze variant) begroot?

2. Eerder hebben B&W (zie beantwoording vragen Leefbaar Rheden dd. 18-2-2005) de kosten voor de infrastructuur geraamd op € 126 miljoen (prijspeil 2004) waarbij rekening gehouden was met BTW-compensatie. Dit bedrag hebben wij nergens in de recente stukken, ook niet in de huidige business-case kunnen terugvinden.
Bij deze verzoeken wij u hiervoor een afdoende verklaring te geven.

3. De toezeggingen van andere regionale overheden bedroegen oorspronkelijk eveneens € 70 Miljoen. Uiteindelijk is daarvan € 48,2 miljoen gerealiseerd. (waarbij Rheden ook nog eens haar bijdrage heeft verhoogd van € 11,3 naar € 14,2 miljoen).
Wij verzoeken u om een exact overzicht van de oorspronkelijke toezeggingen van alle partijen, per partij (gemeente, provincie, KAN, ProRail, andere partijen) .


-----------------------------------------------
Document SYS_230 - Het voorstel van Gedeputeerde Staten aan Prov. Staten om de overgang van haalbaarheids- naar planfase te accorderen.(19 april 2005)
-----------------------------------------------

Voorstel aan Provinciale Staten PS2005-312
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH
Start planfase project Hart van Dieren (inclusief wijziging nr. 16 Begroting 2005)
HHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHHH

Beknopte samenvatting van inhoud voorstel:

Zoals bekend is vanaf 2001 door de provincie Gelderland en de gemeente Rheden de haalbaar-heid van het project Hart van Dieren onderzocht.

Van de (tussen)resultaten en de voortgang hebben wij uw Staten regelmatig op de hoogte gehouden middels periodieke voortgangsrapportages aan de Commissie Verkeer en Waterstaat.

Zoals bekend is het project diverse malen aanzienlijk vertraagd, door moeizame besluitvorming op ministerieel niveau over de rijksbijdrage aan het project. De verlaging van de aanvankelijke rijksbijdrage van € 70 miljoen tot € 50 miljoen heeft bovendien aan het eind van 2003, geleid tot een ingrijpende aanpassing van het project. Thans is het project zover ontwikkeld en op haal-baarheid onderzocht dat wij kunnen stellen dat de haalbaarheid van het project afdoende is onderzocht en is aangetoond, zowel in technische-inhoudelijke als in financiële zin.

In dit statenvoorstel wordt dan ook voorgesteld om de haalbaarheidsfase af te sluiten en een formele start te maken met de volgende fase, zijnde de plan(uitwerkings)fase en de daartoe benodigde besluiten te nemen.
=====
Aan Provinciale Staten

Terugblik op haalbaarheidsfase/projecthistorie

Vanaf 2001 is door de provincie Gelderland en de gemeente Rheden de haalbaarheid van het project Hart van Dieren onderzocht. Dit heeft geresulteerd in een haalbaarheidsstudie 2001), op basis waarvan door de Tweede Kamer in 2002 (amendementen Veenstra/Verbugt) een rijks-bijdrage € 70 miljoen is vrijgemaakt uit de begrotingen van V&W, VROM en LNV.

Als bijdrage vanuit de regio was toen een bedrag van € 70 miljoen geraamd (waarvan € 22,7 miljoen van de provincie en € 11,4 miljoen van de gemeente).

Op basis van deze haalbaarheidsstudie kozen provincie en gemeente in 2001 voor het zoge-naamde Voorkeursalternatief. Dit bestond uit:

1. een volledige ondertunneling van zowel het spoor als de provinciale weg in de kern van Dieren met twee aparte tunnels;

2. de realisatie van een nieuw stedelijk dorpshart rond een nieuw regiorailstation boven en naast deze beide tunnels;

3. een bijdrage aan de realisatie van het beleid voor een grenzeloze Veluwe door ontsnippering (twee wegen komen te vervallen) en door verdiepte en gebundelde ligging van de provinciale weg en het spoor aan de westzijde van Dieren met daaroverheen een ecoduct ter hoogte van het landgoed Hof te Dieren.

Door politieke onduidelijkheid (kabinetswisselingen, wisseling van bewindslieden en van kamer-leden) heeft het lang geduurd (tot november 2004, het moment waarop de beschikking door het Rijk is afgegeven) voordat er uiteindelijk duidelijkheid kwam over de omvang van de rijks-middelen en de wijze van toekenning van die middelen aan de regio. Het politieke draagvlak voor het project in Den Haag is echter steeds groot gebleven. Dit is met name ingegeven door:

1. De bereidheid van de regio om substantieel (50%) mee te betalen.

2. De grote mate van integraliteit van het project (integrale aanpak van problemen op het terrein van infrastructuur en leefbaarheid, met tegelijkertijd ruimtelijke ontwikkeling en bij-dragen aan het Ecologische Hoofd Structuur (EHS)-beleid).

3. De reeds in een vroeg stadium beoogde innovatieve aanpak.

Daarnaast was de samenwerking (ook in financiële zin) tussen de verschillende bestuurslagen (drie ministeries, ProRail, provincie Gelderland, KAN en de gemeente Rheden) voor de Tweede Kamer eveneens een aansprekende formule.

In de tussenliggende tijd is een aanvullende alternatievenstudie (2003) uitgevoerd en is, onder druk van de Tweede Kamer (bezuinigingsronde najaar 2003), het oorspronkelijke plan ingrijpend aangepast, waardoor de benodigde rijksbijdrage kon worden teruggebracht tot € 50 miljoen (met gelijkblijvende bijdrage van provincie en gemeente van € 70 miljoen).
Vervolgens is er (2004) met alle betrokken overheden nog een uitvoerige extra rekenslag gemaakt om de rijksbijdrage van € 50 miljoen te compenseren voor inflatie.

Intussen is er door de projectorganisatie zoveel mogelijk voorbereidend werk verricht voor de planfase, zodat na definitieve toekenning van de rijksmiddelen, een snelle doorstart zou kunnen worden gemaakt. Daartoe is in juni 2004 een tijdelijke samenwerkingsovereenkomst (voor de zogenaamde pre-planfase) gesloten met ProRail. Doel hiervan was, om het versoberde infra-structuurontwerp voor spoor en weg uit 2003 van de beide initiatiefnemers te toetsen op volledigheid, eventueel te completeren en waarnodig te actualiseren. Daarbij is gestart met het gezamenlijk (provincie Gelderland en ProRail) opstellen van een zogenaamd Functioneel Programma van Eisen (FPvE). Inmiddels is deze studie afgerond, zijn de kosten van het nieuwe infrastructuurontwerp opnieuw geraamd en is een vergelijking gemaakt tussen deze nieuwe raming en de raming van de beide initiatiefnemers uit 2003. Uit deze laatste vergelijking blijkt, dat er weinig verschil is tussen beide ramingen.

Tevens is in 2004 onder meer ten behoeve van het Ministerie van VROM een nauwkeurige grondexploitatie voor de gebiedsontwikkeling opgesteld. Deze grondexploitatie resulteert in een taakstellend positief saldo van ca. € 8 miljoen ten behoeve van de bekostiging van de infra-structuurbundel.

Thans kan worden geconcludeerd dat de haalbaarheid van het project, zowel technisch, ruimtelijk als financieel, afdoende is onderzocht en dat het project naar de volgende fase, de plan(uitwerkings)fase kan worden gebracht.

Afsluiting haalbaarheidsfase/start planfase
Belangrijk uitgangspunt bij de start van de planfase is dat de beide initiatiefnemers de verdere integrale ontwikkeling van het project in de planfase zoveel mogelijk willen doorzetten. Het doel is om een hoog kwaliteitsniveau in het project te brengen, maar wel binnen het beschikbare en overeengekomen budget. Een intensieve samenwerking tussen de betrokken partijen met een centrale sturing vanuit een projectorganisatie op alle producten die voor het project van het belang zijn, is daarvoor een randvoorwaarde.

Provincie Gelderland en de gemeente Rheden blijven gedurende de planfase - zowel inhoudelijk als financieel - gezamenlijk verantwoordelijk voor het project, ProRail is een belangrijke samen-werkingspartner voor met name de (spoor)infrastructuur (zie hiervoor de samenwerkings-overeenkomst). Provincie Gelderland en de gemeente Rheden delen in de planfase elk voor 50% in de risico’s. Deze risico’s zijn in deze fase overigens nog (relatief) beperkt van aard en omvang; zie hiervoor de risico-inventarisatie (bijlage bij de businesscase). Benadrukt wordt dat de besluiten die thans worden genomen uitsluitend gelden voor de planfase. Weliswaar wordt met die besluiten ook voorgesorteerd op de realisatiefase (bijvoorbeeld waar het gaat over de wijze van contractering), maar bij de start van de realisatiefase zullen opnieuw afspraken gemaakt moeten worden, met name over de wijze van samenwerking en de risicoverdeling in de realisatiefase. In het hiernavolgende wordt op verschillende aspecten ingegaan, die voor uw Staten van belang zijn om het/de benodigde besluit/de besluiten te kunnen nemen. Achter-eenvolgens komen aan de orde:
1. het schetsontwerp (SO) voor de infrastructuur (spoor en weg) en enkele direct gerelateerde elementen van de gebiedsontwikkeling (de zogenaamde PLUS-elementen), alsmede het daarbij behorende functionele programma van eisen (FPvE);
2. de randvoorwaarden en uitgangspunten voor het dit voorjaar op te stellen stedenbouw-kundige Programma van Eisen (PvE) en het hierop gebaseerde stedenbouwkundige ontwerp voor de gebiedsontwikkeling;
3. het contracteringsplan, waarin de wijze van contracteren zoals die is voorzien voor de ver-schillende onderdelen van het project (infrastructuur en gebiedsontwikkeling);
4. de businesscase 2005; het financiële hart van het project met daarin onder meer de kosten-raming en een overzicht van de omvang van de geldstromen van Rijk, KAN en beide initiatiefnemers, alsmede de kasritmen van bijdragen en uitgaven. Bij deze businesscase is tevens een risico-inventarisatie voor de planfase gevoegd;
5. de samenwerkingsovereenkomst voor de planfase van 2-3 jaar tussen provincie, gemeente en ProRail;
6. een overzicht van de kosten die gemaakt zijn in de (nu af te sluiten) haalbaarheidsfase (2001-2005) door de beide initiatiefnemers en een voorstel voor de wijze waarop in de planfase de kosten zullen worden gedekt;
7. Het voorstel om de in het Meerjarig Investeringsfonds Gelderland (MIG) gereserveerde mid-delen voor het project beschikbaar te stellen.

De aspecten, genoemd onder 1 t/m 5 zijn allen uitgebreid beschreven en weergegeven in afzon-derlijke documenten en kaartmateriaal. Het schetsontwerp voor de infrastructuur en het FPvE liggen voor u ter inzage; een overzichtskaart is voor u bijgevoegd. Het contracteringsplan ligt eveneens voor u ter inzage. Een bestuurlijke samenvatting en toelichting op het contracte-ringsplan is bijgevoegd.

De stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten zijn opgenomen in het gemeente-lijke Structuurplan, dat op 29 maart is vastgesteld door de gemeenteraad. Het Structuurplan ligt voor u ter inzage, de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten zijn als bijlage bijgevoegd.

De businesscase 2005 (met toelichting) is vanwege de marktgevoelige informatie, strikt ver-trouwelijk. De businesscase (met toelichting, waarin o.a. wordt ingegaan op de bij de opstelling van de businesscase gehanteerde uitgangspunten) ligt voor staten- en raadsleden ter inzage, waarbij de verplichting tot geheimhouding geldt. De risicoinventarisatie ligt ter inzage.

De samenwerkingsovereenkomst tussen provincie, gemeente en ProRail voor de planfase is bijgevoegd.

I. Het schetsontwerp voor de infrastructuur (spoor en weg) en enkele direct gerelateerde elementen van de gebiedsontwikkeling (de zgn. PLUS-elementen), alsmede het daarbij behorende functionele programma van eisen (FPvE)

Ter voorbereiding op de planfase is samen met ProRail het voorkeursontwerp van provincie en gemeente (de zogenaamde 8-min variant, ontwikkeld na de bezuinigingsronde in 2003) nader onderzocht en uitgewerkt. De 8-min variant gaat uit van een gesloten tunnel voor de N348 en een open, verdiept gelegen bak voor het spoor.

Hierbij is een integraal ontwerp gemaakt, waarin alle actuele inzichten van provincie, ge-meente en ProRail zijn verwerkt. De resultaten van deze studie gelden als uitgangspunt voor alle nader te ontwikkelen projectonderdelen in de planfase.

Functioneel Programma van Eisen (FPvE).

In het FPvE zijn de eisen van de betrokken partijen verwoord; het bevat onder andere functio-nele eisen met betrekking tot:
Ø het tijdelijke (tijdens de bouw) en definitieve spoor;
Ø het Veluwsche Stoomtrein Maatschappij (VSM)-spoor;
Ø de tijdelijke en definitieve weg (N348);
Ø diverse veiligheidsvoorzieningen;
Ø diverse omgevings- en inpassingsaspecten waaronder waterhuishouding, geluid, lucht, archeologie en oorlogsresten.

Naast het FPvE is voorbereidend op het ontwerp een deel van de huidige situatie geïn-ventariseerd. Zo is in beeld gebracht welke gronden in wiens bezit zijn en is gekeken naar de thans aanwezige kabels en leidingen. Aan de hand van de verzamelde informatie is ver-volgens het integrale infrastructuurontwerp opgesteld.

Schets ontwerp infrastructuur

Gestart is met het opstellen van een schetsontwerp van de tijdelijke en definitieve sporen. De tijdelijke sporen en het tijdelijke eilandperron zijn ontworpen ten noorden van de huidige doorgaande sporen. In de tijdelijke situatie wordt de baanvaksnelheid voor de treinen terug-gebracht naar 80 km/uur. Ongeveer ter plaatse van de huidige doorgaande sporen, zijn de definitieve verdiepte sporen en het verdiept gelegen eilandperron voorzien. De definitieve spoorsituatie is geschikt voor een baanvaksnelheid van 130 km/uur. Tussen de Harder-wijkerweg en de Wilhelminaweg ligt het spoor verdiept. De onderkant van de verdiepte bak ligt op ongeveer 10,0 m. +NAP. De bovenkant van de spoorbak komt maximaal 1 meter boven het maaiveld uit. Dit hoogteverschil wordt in de bovengrondse inrichting ingepast. Direct ten westen van de Harderwijkerweg en ten oosten van de Wilhelminaweg stijgt het spoor weer naar de huidige hoogteligging. Op de perrons zijn een tweetal stijgpunten in de vorm van een trap voorzien: één bij de Wilhelminaweg en één bij de Kon. Mariastraat. Bij laatstgenoemde zal tevens een lift worden geplaatst.

Direct ten zuiden van de verdiepte spoorbak ligt de gesloten autotunnel. Voor de autotunnel is uitgegaan van twee afzonderlijke kokers, voor elke rijrichting één. Beide kokers bevatten één rijstrook met een vluchtstrook teneinde de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten te garanderen ingeval van calamiteiten. Aan de oostzijde van de tunnel stijgt de N348 weer naar maaiveld en buigt van het spoor af naar haar huidige tracé. Aan de westzijde blijft de weg gebundeld met het spoor. Het oude tracé van de N348 tot aan de Ellecomsedijk, de Arnhemsestraatweg, wordt dus volledig verlegd richting de spoorbaan. Even ten westen van de tunnelmond (ca. 200 meter) bevindt zich het uitwisselpunt west ten behoeve van het verkeer van en naar de kern van Dieren (noord, zuid en stationsgebied). Dit kruispunt ligt half verdiept t.b.v. een goede landschappelijke inpassing in het landgoed Hof te Dieren. De N348 ligt verder geheel gebundeld met het spoor en sluit uiteindelijk aan op de Ellecomsedijk. De huidige Arnhemsestraatweg vervult uiteindelijk alleen nog een functie voor fiets, land- en bosbouw en bestemmingsverkeer. Nabij de kruising van spoor en weg met de Lange Juffer is een ecoduct over de infrabundel voorzien, als ecologische verbinding van het Veluwemassief met de IJsselvallei.

In de studie zijn tevens diverse ontwerpen opgesteld en onderzoeken uitgevoerd. Zo is er een horizontaal en verticaal ontwerp van zowel het spoor als de N348. Daarnaast zijn er tekeningen waarop de betonconstructie van de open spoorbak en de wegtunnel zijn weer-gegeven. Ook is er gekeken naar de interne en externe veiligheid. Dit heeft voor een deel geleid tot aanbevelingen die in het ontwerp verwerkt zijn. Naast veiligheid zijn er ook een aantal inventariserende milieuonderzoeken uitgevoerd waarbij globaal is gekeken naar de verandering in luchtkwaliteit en naar mogelijke geluid- en trillingshinder. Ook heeft een inven-tarisatie plaatsgevonden van de bodemkwaliteit en eventueel aanwezige bodemvervuiling, van de archeologische verwachtingen in het gebied en van mogelijke niet gesprongen explosieven (oorlogsresten).

Kostenraming

Van het nieuwe ontwerp is een geactualiseerde kostenraming opgesteld. Deze is vergeleken met de kostenraming die in 2003 in het kader van de haalbaarheidsstudie is opgesteld. De kostenraming omvat de volgende onderdelen:
Ø de kunstwerken voor de kruisende wegen en het ecoduct;
Ø de N348, aansluitende wegen en voorzieningen rondom het station;
Ø het tijdelijk en definitief spoorwerk inclusief VSM-spoor en stationsinrichting;
Ø alle bouwkuipen en grondwerk voor aanleg van de spoorbak en de wegtunnel;
Ø de constructie van de open spoorbak inclusief toeritten en voorzieningen;
Ø de constructie van de wegtunnel inclusief toeritten en voorzieningen.

De kostenraming is verwerkt in de Businesscase (zie hierna onder punt IV)

Gaandeweg het ontwerpproces bleek er op een aantal onderdelen een directe samenhang te bestaan tussen de infrastructuur en het toekomstig stedenbouwkundige programma. In een tweetal workshops is dit verder verkend en uitgewerkt met als resultaat dat een aantal elementen zijn toegevoegd aan het schetsontwerp, in het FPvE en in de kostenraming.

II. Randvoorwaarden en uitgangspunten voor het stedenbouwkundig ontwerp en de gebiedsontwikkeling
In 2003 zijn, in samenhang met de door de Tweede Kamer opgelegde versobering van het infrastructuurontwerp, de uit 2001 daterende stedenbouwkundige uitgangspunten geactuali-seerd, uitgebreid en verbijzonderd. Deze uitgangspunten zijn tevens verwerkt in de grond-exploitatie 2004 die ten behoeve van het verkrijgen van de rijksbeschikking is toegezonden aan VROM.

Deze uitgebreide lijst met stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten is opge-nomen in het Structuurplan voor het stedelijk hart van Dieren dat inmiddels door de gemeenteraad van Rheden is vastgesteld. Op basis hiervan is gestart met de bestemmings-planprocedure.

Momenteel wordt gewerkt aan het opstellen van een actueel stedenbouwkundig PvE, op basis waarvan vervolgens stedenbouwkundige schetsen worden ontwikkeld. Het schetsont-werp en het FPvE voor de infrastructuur is hierbij het vertrekpunt, evenals de resultaten van de workshops over de directe (ruimtelijke en ontwerptechnische) samenhangen tussen enkele stedelijke elementen en de infrastructuurbundel (zoals het toekomstige station).

Deze schetsen zullen primair dienen als referentiebeelden.

Verder is dit voorjaar een verkeerscirculatiestudie gestart waarvan de resultaten verwerkt zullen worden in bovengenoemde schetsen.

Besluitvorming over het stedenbouwkundige PvE, de verkeerscirculatie en de stedenbouw-kundige schetsen/referentiebeelden door het gemeentebestuur is voorzien voor september 2005. Aansluitend zal de totale gebiedsontwikkeling (zoals ook hierna nog onder punt III zal worden toegelicht) zo snel mogelijk via een aantal contracten naar de markt gebracht worden.

III. Het contracteringsplan
In het contracteringsplan wordt ingegaan op de wijze waarop het project op de markt wordt gezet. In het plan zijn de mogelijkheden geanalyseerd, zijn de voor- en nadelen van de verschillende contracteringsmodellen in kaart gebracht en zijn voorstellen voor de te maken keuzen geformuleerd.

De volgende keuzen zijn daarin door ons college gemaakt:

Ø Het project is verdeeld in één contract voor de infrastructuur (met enkele direct daaraan gerelateerde elementen uit de gebiedsontwikkeling) en contracten voor de gebieds- vastgoedontwikkeling. De keuze voor deze tweedeling is in hoofdzaak ingegeven door het tempoverschil in de beide onderdelen (de infrastructuur kan waarschijnlijk eerder worden aanbesteed dan de gebiedsontwikkeling) en het daarmee (naar verwachting) te realiseren marktvoordeel. En door het verschil tussen de beoogde contracteringsvormen voor infrastructuur bundel en gebiedsontwikkeling.

Ø Bij de contractering voor de infrastructuur is het de bedoeling om de infrastructuurbundel en het bijbehorende wegenwerk inclusief het ecoduct in één groot contract onder te brengen. Dit vanwege de grote samenhang tussen de verschillende onderdelen, waar-door naar verwachting een aanzienlijke kostenreductie kan worden bereikt. De spoorse bovenbouw zal apart naar de markt worden gebracht. Dit vanwege verschil in markten waarin geopereerd wordt en vanwege de tempoverschillen.

Ø Als contractvorm voor de infrastructuurbundel (treinbak en autotunnel en wegenwerk en ecoduct) en de daarbijbehorende elementen van de gebiedsontwikkeling is gekozen voor een Design&Construct contract. Deze keuze is met name bepaald door de volgende elementen:
§ ProRail heeft inmiddels ruime ervaring met deze contractvorm opgebouwd; ProRail is bereid om deze kennis en ervaring ten dienste te stellen aan het project;
§ er ontstaat meer ruimte voor de inbreng van innovatie en optimalisatie vanuit de markt;
§ de ontwerpverantwoordelijkheid wordt bij de aannemer gelegd;
§ er ontstaat eerder zekerheid omtrent de prijs.

Het uiteindelijke doel dat met deze contractvorm wordt beoogd is de - in concurrentie tot stand gekomen - goedkoopste, kwalitatief beste oplossing. Als aanbestedingsproce-dure is gekozen voor de onderhandelingsprocedure na voorafgaande publicatie. Daarbij zal ProRail, mede namens de provincie en de gemeente optreden als aanbestedende dienst voor alle infracontracten. Dit gebeurt uiteraard onder aansturing/regie van provincie Gelderland en de gemeente Rheden (i.c. de projectorganisatie), omdat ProRail niet financieel en risicodragend participeert in het project. In de samenwerkingsover-eenkomst is de rol van ProRail op dit onderdeel in beschreven.
Ø Voor de overige infra-elementen (spoorse bovenbouw spoor en conditioneringswerk) is gezien de beperkte markt hiervoor en de ervaringen hiermee van ProRail gekozen voor een meer traditionele vorm van contracteren.
Ø Voor de gebiedsontwikkeling is de marktbenadering en contractvorm afgestemd op de beoogde risicoverdeling: afhankelijk van de complexiteit, de onzekerheden met betrek-king tot grondverwerving, ontwikkelkosten en afzetrisico is per deelgebied een keuze gemaakt voor een meer of minder traditionele contractvorm. Dit betekent dat voor het centrumgebied (inclusief de bebouwing langs de Wilhelminaweg die de centrum-ontwikkeling afsluit) en de gebiedsontwikkeling in west (beide complex en met onze-kerheid over afzetmogelijkheden) een ontwerp/ontwikkelcompetitie (prijsvraagmodel) wordt gevolgd. De markt wordt benaderd op basis van een stedenbouwkundig schets-plan met verkeerscirculatieplan. Dit biedt voldoende ruimte voor creatieve ideeën en optimalisaties (financieel en kwalitatief) vanuit de markt, terwijl de gemeente met het schetsplan en het Programma van Eisen voldoende greep heeft op ruimtelijke inpassing, kwaliteit en dergelijke. Voor het gebied oost is de opgave relatief eenvoudig en de risico’s beperkt waardoor een traditionele aanpak (gronduitgifte met voorwaarden) voor de hand ligt.
Ø De gemeente Rheden treedt op als opdrachtgever en aanbestedende dienst voor alle Contracten met betrekking tot de gebiedsontwikkeling. De directe betrokkenheid van de provincie bij de gebiedsontwikkeling stopt op het moment waarop voor de eerste maal de biedingen uit de markt beschikbaar zijn, beide initiatiefnemers kunnen dan namelijk zien of hun ramingen van de opbrengst (in de Grondexploitatie) juist waren. Vanaf dat moment gaat de gemeente alleen verder met de gebiedsontwikkeling. Een en ander is ook uitgewerkt in de samenwerkingsovereenkomst (zie punt V).

IV. De Businesscase 2005 (met risico inventarisatie)
De Businesscase 2005 geeft een volledig overzicht van alle kosten, opbrengsten, bijdragen en onzekerheden, dit alles naar de stand van zaken en inzichten bij de start van de planfase (peildatum: 1 april 2005). De Businesscase is het financiële kader waarbinnen de planuit-werking in de planfase plaatsvindt (zie ook de samenwerkingsovereenkomst, waarin dit is vastgelegd).

Gezien het vertrouwelijke karakter van de Businesscase wordt hier volstaan met een verwijzing naar de businesscase die vertrouwelijk beschikbaar is voor raads- en statenleden.

Op basis van de huidige inzichten sluit de businesscase met een saldo tussen 0 en - € 2,9 miljoen (prijspeil 2012). Het daadwerkelijke saldo is afhankelijk van het tempo van uitgaven in de komende jaren en de mogelijkheden om renteopbrengsten van de toegekende rijks-, KAN‑, provinciale- en gemeentelijke bijdragen voor het project te behouden.

Gesteld kan worden dat er sprake is van een solide businesscase en dat het licht negatieve saldo geen belemmering behoeft te zijn om formeel te starten met de planfase. In de businesscase is uitgegaan van conservatieve ramingen en is van grondig onderzochte en getoetste gegevens gebruikgemaakt. Voor onzekerheden die negatief kunnen uitwerken is een bedrag opgenomen, onzekerheden die positief zullen uitwerken zijn niet of slechts en dele op geld gesteld. Daarnaast zijn de risico’s voor de planfase gedefinieerd en voorzien van beheersmaatregelen (zie risico inventarisatie). Bovendien zijn de afspraken in de samen-werkingsovereenkomst zodanig dat maximaal kan worden gestuurd op kostenbeheersing en taakstellende opbrengsten. Tot slot: een verschil van (maximaal) 3% tussen kosten en op-brengsten t.o.v. de totale projectbegroting is in dit stadium van het project volstrekt niet ongebruikelijk en zelfs als laag aan te merken.

Tot slot is het van belang te benadrukken dat er ook tijdens de planfase nog meerdere go-no-go besluitmomenten zijn:
Ø bij de start aanbesteding;
Ø naar aanleiding van het resultaat van de eerste bieding;
Ø naar aanleiding van het resultaat van de laatste bieding;
Ø zie hiervoor ook het contracteringsplan.

Risico inventarisatie planfase

In de risico inventarisatie voor de planfase zijn de risico’s die provincie en gemeente lopen, de (mogelijke) effecten en de sturings- en beheersmaatregelen opgenomen. Van belang is om in het oog te houden dat de risico’s in de planfase relatief beperkt van aard en omvang zijn; de grootste risico’s zijn gelegen in de realisatiefase. Uit de inventarisatie, maar ook uit de ervaringen in andere projecten, blijkt dat het van het grootste belang is dat partijen consequent vasthouden aan de afgesproken FPvE”s (voor zowel de infra als voor het gebied). Tevens blijkt dat het tempo van werken en besluiten nemen van groot belang is. Op deze aspecten zal dus ook zoveel mogelijk gestuurd (moeten) worden.

Het risico dat provincie Gelderland en de gemeente Rheden (ieder voor 50%) in de planfase lopen, wordt groter naarmate het planproces vordert; in het uiterste geval, dat wil zeggen als het project wordt gestopt vlak voor het moment van aanbesteding (en alle voorbereidende werkzaamheden dus zijn verricht) is het financiële nadeel geraamd op in totaal € 8 à 9 miljoen (waarvan 50% voor de provincie). Mocht deze situatie zich onverhoopt voordoen, dan zal alsdan een dekkingsvoorstel worden gedaan.

V. Samenwerkingsovereenkomst voor de planfase tussen provincie, gemeente en ProRail
Provincie Gelderland en de gemeente Rheden onderzoeken sinds 2001 de haalbaarheid van het project; hiervoor hebben zij eerst een intentieovereenkomst met elkaar gesloten die erop was gericht om samen de benodigde rijksmiddelen te verwerven. Vervolgens is een samen-werkingsovereenkomst aangegaan, die erop was gericht om de verdeling van kosten, ver-antwoordelijkheden en bevoegdheden in de haalbaarheidsfase vast te leggen.

In 2004 is (parallel aan de tijdrovende discussie met VROM) reeds een samenwerkingsover-eenkomst gesloten tussen provincie Gelderland, de gemeente Rheden en ProRail voor de zogenaamde pre-planfase. Doel van die samenwerking was om het (door provincie Gel-derland en de gemeente Rheden) ontwikkelde globale infrastructuurontwerp te laten comple-teren, valideren en toetsen door ProRail, dit vooruitlopend op de planfase en in het belang van de voortgang.

Deze laatste actie was noodzakelijk om een start te kunnen maken met de planfase. Thans is aan alle randvoorwaarden voor een verantwoorde start van de planfase voldaan; de financiële en technische haalbaarheid is afdoende onderzocht en aangetoond.

Het is evident dat de verdere ontwikkeling van het plan in de planfase zal moeten plaats-vinden in nauwe samenwerking tussen provincie Gelderland, de gemeente Rheden en ProRail. Gezocht is naar de meest zinvolle en wenselijk samenwerkingsvorm voor de plan-fase. Daarbij is gezocht naar een vorm waarin er een optimaal evenwicht is tussen het (laten) nemen van de principiële beslissingen op hoofdlijnen door de direct gekozen organen van de betrokken partijen (i.c. PS en Raad) en de uitvoering in handen is van de organisatie(s) die slagvaardig en snel kan/kunnen opereren. Als belangrijk uitgangspunt is tevens gehanteerd dat het belangrijk is om het project zoveel mogelijk één aanspreekpunt te geven; dit is in het belang van derden en beschermt de betrokken partijen tegen derden (“uit elkaar spelen” van partijen). Gekeken is naar een volledig zelfstandige projectorganisatie in een aparte rechtspersoon, zoals een stichting, een overheids-B.V. of een gemeenschappelijke regeling. Voor een stichting of B.V. is echter niet gekozen, met name vanuit de overweging dat de sturing over het project te veel op afstand komt te staan van Provinciale Staten en de gemeenteraad. Het aangaan van een gemeenschappelijke regeling vergt een lange voorbe-reidingstijd, onder andere ook vanwege de deelname van ProRail, niet zijnde een overheid. Een dergelijke lange en relatief gecompliceerde procedure ligt niet voor de hand, nu de samenwerking bedoeld is voor de planfase, zijnde een periode van ca. 2 jaar.

Derhalve is voor de planfase gekozen voor een op maat gesneden samenwerkingsover-eenkomst tussen partijen, met een ruim mandaat voor de Stuurgroep en de projectorganisatie (vanwege de beoogde slagvaardigheid en snelheid van handelen) maar onder het regime van de democratische sturing en controle door de bevoegde provinciale en gemeentelijke or-ganen. Voor de realisatiefase zal een nieuw voorstel voor de wijze van samenwerken worden gedaan. De samenwerkingsovereenkomst is als bijlage bijgevoegd, uw Staten worden voorgesteld kennis te nemen van de overeenkomst.

VI. Kosten haalbaarheidsfase
De kosten van de haalbaarheidsfase (2001 tot 1 juli 2004) en de pre-planfase (1 juli 2004 t/m 1 april 2005) bedragen (afgerond) € 2,5 miljoen.

Dit zijn de van externe adviesbureaus (adviezen met betrekking tot contractering, ingenieurs-diensten, stedenbouwkundig advies en RO-procedures, communicatie advies en uitvoering), kosten projectorganisatie (provincie en gemeente, inclusief inhuur). De kosten van verwer-vingen onroerend goed bedragen tot nu toe € 1,5 miljoen.

Conform de met de gemeente Rheden gesloten overeenkomst voor de haalbaarheidsfase delen (50/50) provincie Gelderland en de gemeente Rheden de externe kosten (externe onderzoeken en adviezen). De eigen apparaatskosten zijn voor eigen rekening van provincie en gemeente (maar worden wel verrekend in het project).

Voor de kosten van de haalbaarheidsfase zijn in 2001, 2003 en 2004 voorbereidingskredieten beschikbaar gesteld voor een totaal van € 1,8 miljoen, met dekking uit de in het MIG gereserveerde middelen voor voorbereidings- en uitvoeringskosten.

Inmiddels is – ter uitvoering van de beschikking van VROM – de 1e tranche van de rijksbijdrage ad. € 2,9 miljoen (van in totaal € 53,3 miljoen) uitgekeerd; de tranche 2005, ad.

€ 3 miljoen zal in de loop van mei 2005 worden uitgekeerd. Met deze rijksmiddelen kunnen de nog lopende voorbereidingskredieten worden afgelost (waardoor de rentelasten niet meer op het projectbudget drukken). Naar verwachting zullen de rijksmiddelen voor 2005 toereikend zijn om de kosten te kunnen dekken. Mocht in de loop van het jaar blijken dat de middelen niet toereikend zijn, dan zal alsnog een voorbereidingskrediet worden aangevraagd. De dekking hiervan kan dan worden gevonden in de voor 2006 beschikbare MIG-bijdrage.

In de bij dit voorstel opgenomen begrotingswijziging wordt de genoemde rijksbijdrage opge-nomen als projectbudget Hart van Dieren. Het voorstel hiertoe is opgenomen in het ontwerp-besluit.

VII. Beschikbaarstelling van de in het Meerjarig Investeringsfonds Gelderland (MIG) gereserveerde middelen.

In het MIG is thans € 29,3 miljoen gereserveerd voor het project Hart van Dieren, waarvan € 10 miljoen staat gereserveerd voor 2006, € 12,7 miljoen voor 2007 en € 6,5 miljoen voor 2008.

In de statenbesluiten met betrekking tot het MIG is bepaald dat elk programma onderdeel in het MIG een uitwerking zal plaatsvinden die aan uw Staten ter vaststelling wordt aangeboden. Pas op dat moment kan de feitelijke beschikbaarstelling van het gereserveerde budget aan uw Staten worden voorgesteld.

Op basis van alle resultaten zoals die thans voorliggen, kan worden geconcludeerd dat de technische en de financiële haalbaarheid van het project voldoende is onderzocht en aangetoond en dat het verantwoord is de planuitwerking verder ter hand te nemen en de benodigde aanbestedingen en contracteringen verder voor te bereiden.

In het verlengde hiervan wordt thans ook het voorstel gedaan om de gereserveerde MIG-middelen (volgens het in het MIG opgenomen kasritme) beschikbaar te stellen.

Dictum
Wij geven u in overweging te besluiten overeenkomstig bijgevoegd ontwerpbesluit alsmede tot vaststelling van wijziging nr. 16 van de Begroting 2005. Deze wijziging ligt, samen met andere stukken waar in dit statenvoorstel naar wordt verwezen, ter inzage in de bibliotheek van het Huis der Provincie. Vertrouwelijke stukken, waarnaar in dit voorstel wordt verwezen, liggen voor u ter inzage bij de Griffie.


Arnhem, 19 april 2005 - nr. Z17064

Gedeputeerde Staten van Gelderland

J.J.W. Esmeijer
-
wnd. Commissaris van de Koningin

H.M.D. Brouwer
-
secretaris
coll. wh
code: TVW_31062.doc / DM


-----------------------------------------------
Document 50501V Project Hart van Dieren - Het voorstel van B&W aan de Gemeenteraad van Rheden om de overgang van haalbaarheids- naar planfase te accorderen.(opgesteld 19 april 2005). Dit voorstel is op 31 mei 2005 behandeld.
-----------------------------------------------

Raadsvergadering
31 mei 2005
Agendapunt 9
V01/RO
1 - 9

Onderwerp Aan de Gemeenteraad
Project Hart van Dieren.

INHOUD VOORSTEL
Instemmen met beëindiging haalbaarheidsfase en met start Planfase door akkoord te gaan met:
1 de samenwerkingsovereenkomst;
2 de Functionele Programma's van Eisen van spoor, weg en station;
3 het vrijgeven van de financiën volgens het kasritme opgenomen in de gemeentelijke begroting en het ontbrekende bedrag € 1,2 miljoen (prijspeil 2002) te dekken uit het grondbedrijf.

1 Inleiding
Zoals bekend is vanaf 2001 door de provincie Gelderland en de gemeente Rheden de haalbaarheid van het project Hart van Dieren onderzocht.

Thans is het project zover ontwikkeld dat wij kunnen stellen dat de haalbaarheid van het project afdoende is onderzocht en is aangetoond, zowel in technische-inhoudelijke als in financiële zin.
In dit raadsvoorstel wordt dan ook voorgesteld om de haalbaarheidsfase af te sluiten en een formele start te maken met de volgende fase, zijnde de plan (uitwerkings)fase en het daartoe benodigde besluit te nemen.

Benadrukt wordt dat het besluit dat thans wordt genomen uitsluitend betrekking heeft op de planfase.
In deze fase worden de plannen, zoals stedenbouwkundige ontwikkeling, verkeerscirculatieplan, etc. verder uitgewerkt. Gedurende de planfase zullen een aantal besluiten moeten worden genomen.
In bijlage 1 zijn deze besluitmomenten weergeven. Weliswaar wordt met die besluiten ook voorgesorteerd op de realisatiefase (bijv. waar het gaat over de wijze van contracteren), maar bij de start van de realisatiefase zullen opnieuw afspraken gemaakt moeten worden, met name over de wijze van samenwerking en de risicoverdeling in de realisatiefase.

De bestuurlijke besluitvorming bij de provincie (Gedeputeerde en Provinciale Staten) vindt eveneens in deze periode plaatst. Het raads- en statenvoorstel zijn derhalve op elkaar afgestemd en zijn op onderdelen toegespitst op de specifieke provinciale en gemeentelijke aspecten en verantwoordelijkheden.

2 Beoogd effect
Belangrijk uitgangspunt bij de beëindiging van de haalbaarheidsfase en de start van de planfase is dat de beide initiatiefnemers de verdere integrale ontwikkeling van het project in de planfase kunnen voortzetten.

Het betreft een fase van naar verwachting 2,5 jaar, waarin het project nader wordt uitgewerkt, alvorens daadwerkelijk tot uitvoering kan worden overgegaan. De fase loopt vanaf het moment van ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst tot en met de door partijen te nemen gunningsbesluiten ten behoeve van de daadwerkelijke realisatie.
Het doel is om een hoog kwaliteitsniveau in het project te brengen, maar wel binnen het beschikbare en overeengekomen budget. Een intensieve samenwerking tussen de betrokken partijen met een centrale sturing vanuit een projectorganisatie op alle producten die voor het project van het belang zijn, is daarvoor een randvoorwaarde.

Door middel van onderhavig voorstel dienen de kaders voor de planfase te worden vastgelegd en van een maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak te worden voorzien om de planfase in te gaan.

3 Kader
In april 2001 heeft de Raad ingestemd om hiervoor met de provincie Gelderland een projectovereenkomst aan te gaan. Het doel was om gezamenlijk met de provincie uitvoering te geven aan de motie Feenstra/Verbugt en te zoeken naar een duurzame oplossing voor de leefsituatie en verkeersproblemen voor Dieren. Deze overeenkomst heeft een contractlengte tot aan de start van de planfase.

Tijdens de studie naar de haalbaarheid van het project Hart van Dieren hebt u bij raadsbesluit van
28 oktober 2002 de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing verklaard op de percelen, die binnen het plangebied zijn gelegen.

Van de (tussen)resultaten en de voortgang hebben wij uw Raad regelmatig op de hoogte gehouden door middel van voortgangsrapportages aan de Commissie Woon- en Leefomgeving.
Zoals bekend is het project diverse malen aanzienlijk vertraagd, door moeizame besluitvorming op ministerieel niveau over de rijksbijdrage aan het project.
In november 2002 heeft dit nog geleid tot een motie van de Raad:
1 onverkort uitvoering geven aan de uitvoering van het besluit van de 2e Kamer betreffende de financiering van het Rijksaandeel in de uitvoering van het project Hart van Dieren;
2 ongenoegen van Raad over het door de ministers ingenomen standpunt kenbaar maken bij regering en betrokken ministers;
3 inhoud van de motie ter kennis brengen aan alle betrokken partijen en Tweede Kamer.

In oktober 2003 hebt u wederom een motie aangenomen om gedurende de haalbaarheidsstudie vast te houden aan het oorspronkelijke voorkeursalternatief:
1 bewerkstellingen dat rijksoverheid onverkort uitvoering blijft geven aan de uitvoering van het project Hart van Dieren overeenkomstig het optimale alternatief en de daarbij afgesproken kostenverdeling;
4 de regering en betrokken ministers informeren over het bij de Raad levende ongenoegen over de voorgestelde oplossing volgens alternatief 4;
3 inhoud van de motie ter kennis te brengen aan alle betrokken partijen en aan de Tweede Kamer.

Bij de vaststelling van de Begroting 2003 hebt u ingestemd met het ‘financieringsvoorstel Hart van Dieren’ en hebt u hierbij € 11.345.000,-- (f 25.000.000,--) beschikbaar gesteld voor de realisatie van het project `Hart van Dieren´ (prijspeil 2002).

Uiteindelijk heeft de discussie met de Tweede Kamer aan het eind van 2003 geleid tot een verlaging van de aanvankelijke rijksbijdrage van € 70 miljoen tot € 50 miljoen. Het onderhavige project is daarop aangepast met behoud van de na te streven doelstellingen.

Recentelijk hebt u in december jl. ingestemd met het financierings- en indexeringsvoorstel project Hart van Dieren.

De Wet op de Ruimtelijke Ordening (te doorlopen ruimtelijke ordeningsprocedures (bestemmingsplan)) is vervolgens eveneens een kader voor de planfase.

4 Argumenten
Vanaf 2001 zijn er financiële en personele investeringen gedaan om de haalbaarheid van het project Hart van Dieren aan te tonen.

Dit heeft geresulteerd in een haalbaarheidsstudie (2001), op basis waarvan door de Tweede Kamer in 2002 (amendementen Feenstra/Verbugt) een rijksbijdrage van € 70 miljoen is vrijgemaakt uit de begrotingen van de Ministeries van Verkeer en Waterstaat (V&W), Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).

Vanuit de regionale partijen was toen al een bedrag van € 70 miljoen toegezegd.

Op basis van deze haalbaarheidsstudie kozen provincie en gemeente in 2001 voor het zgn. Voorkeursalternatief, dat bestond uit een volledige ondertunneling van zowel het spoor als de provinciale weg in de kern van Dieren met twee aparte tunnels, de realisatie van een nieuw stedelijk dorpshart rond een nieuw regiorailstation boven en naast deze beide tunnels, een bijdrage aan de realisatie van het beleid voor een grenzeloze Veluwe door ontsnippering (twee wegen komen te vervallen) en door verdiepte en gebundelde ligging van de provinciale weg en het spoor aan de westzijde van Dieren met daaroverheen een ecoduct ter hoogte van het landgoed Hof te Dieren.

Door politieke onduidelijkheid (kabinetswisselingen, wisseling van bewindslieden en van kamerleden) heeft het lang geduurd (tot november 2004, het moment waarop de beschikking door het Rijk is afgegeven) voordat er uiteindelijk duidelijkheid kwam over de omvang van de rijksmiddelen en de wijze van toekenning van die middelen aan de regio. Het politieke draagvlak voor het project in ‘s-Gravenhage is echter steeds groot gebleven. Dit is met name ingegeven door de bereidheid van de regio om substantieel (50%) mee te betalen, de grote mate van integraliteit van het project (integrale aanpak van problemen op het terrein van infrastructuur en leefbaarheid, met tegelijkertijd ruimtelijke ontwikkeling en bijdragen aan het Ecologische Hoofdstructuur beleid (EHS-beleid) en de reeds in een vroeg stadium beoogde innovatieve aanpak.

Daarnaast was de samenwerking (ook in financiële zin) tussen de verschillende bestuurslagen (drie ministeries, ProRail, provincie, KAN en gemeente) voor de Tweede Kamer eveneens een aansprekende formule.

In de tussenliggende tijd is een aanvullende alternatievenstudie (2003) uitgevoerd en is, onder druk van de Tweede kamer (bezuinigingsronde najaar 2003), het oorspronkelijke plan ingrijpend aangepast, waardoor de benodigde rijksbijdrage kon worden teruggebracht tot € 50 miljoen (met gelijkblijvende bijdrage van provincie en gemeente van € 70 miljoen).
Vervolgens is er (2004) met alle betrokken overheden nog een uitvoerige extra rekenslag gemaakt om de rijksbijdrage van € 50 miljoen te compenseren voor inflatie.

Intussen is er door de projectorganisatie zoveel mogelijk voorbereidend werk verricht voor de planfase, zodat na definitieve toekenning van de rijksmiddelen, een snelle doorstart zou kunnen worden gemaakt. Daartoe is in juni 2004 een tijdelijke samenwerkingsovereenkomst (voor de zgn. pre-planfase) gesloten met ProRail. Doel hiervan was, om het versoberde infrastructuurontwerp voor spoor en weg uit 2003 van de beide initiatiefnemers te toetsen op volledigheid, eventueel te completeren en waar nodig te actualiseren. Daarbij is gestart met het gezamenlijk (provincie, gemeente en ProRail) opstellen van een zogenaamd Functioneel Programma van Eisen (FPvE). Inmiddels is deze studie afgerond, zijn de kosten van het nieuwe infrastructuurontwerp opnieuw geraamd en is een vergelijking gemaakt tussen deze nieuwe raming en de raming van de beide initiatiefnemers uit 2003. Uit deze laatste vergelijking, getoetst door alle partijen, blijkt, dat er weinig verschil is tussen beide ramingen.

Tevens is in 2004 onder meer ten behoeve van het Ministerie van VROM een nauwkeurige grondexploitatie voor de gebiedsontwikkeling opgesteld. Deze grondexploitatie resulteert in een taakstellend positief saldo van € 8,8 miljoen, ten behoeve van de bekostiging van de infrastructuurbundel.

Thans kan worden geconcludeerd dat de haalbaarheid van het project, zowel technisch-ruimtelijk als financieel, afdoende is onderzocht en haalbaar is gebleken.
Het plan biedt op dit moment – zowel technisch-inhoudelijk als financieel en draagvlak bij partijen ruim voldoende perspectieven om gerealiseerd te kunnen worden en het derhalve naar de volgende fase, de plan(uitwerkings)fase, kan worden gebracht.

Einde haalbaarheidsfase
Alvorens deze stap te zetten moet eerst de haalbaarheidsfase worden afgesloten. Dat betekent dat de Raad akkoord moet gaan met de businesscase 2005.
De businesscase is een document waarin een financieel overzicht van alle in de tijd geplaatste kosten, opbrengsten, bijdragen, inflaties en rente is opgenomen, met andere woorden het is het financiële hart van het project met daarin onder meer de kostenraming en een overzicht van de omvang van de geldstromen van Rijk, KAN en beide initiatiefnemers, alsmede de kasritmen van bijdragen en uitgaven.
Bij deze businesscase is tevens een risico-inventarisatie voor de planfase gevoegd.

De businesscase vormt het financiële kader voor de planfase; de kosten en de bijdragen zijn een vast gegeven; op basis van zorgvuldige afwegingen en besluitvorming (zoals omschreven in de samenwerkingsovereenkomst) kunnen op onderdelen verschuivingen en/of aanpassingen plaatsvinden.

De inhoud van de businesscase 2005 (met toelichting) is vanwege de marktgevoelige informatie, strikt vertrouwelijk. Reden waarom ingevolge de Gemeentewet artikel 25 en 55, alsmede de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), artikel 10 lid 2-b, u inmiddels in beslotenheid een afzonderlijk besluit heeft genomen.

Bij de afsluiting van de haalbaarheidsfase behoort ook het schetsontwerp (SO) voor de infrastructuur (spoor en weg), alsmede het daarbijbehorende Functionele Programma van Eisen (FPvE).
In het FPvE zijn de functies van de te ontwerpen onderdelen gedefinieerd. Het FPvE biedt voldoende mogelijkheden voor uitwerking, met name waar er een directe relatie is met de gebiedsontwikkeling.
Het FPvE is een groeidocument, hetgeen inhoudt dat op basis van zorgvuldige afwegingen en besluitvorming (zoals omschreven in de samenwerkingsovereenkomst) op onderdelen verschuivingen en/of aanpassingen kunnen plaatsvinden.

Het schetsontwerp voor de infrastructuur en het FPvE liggen voor u ter inzage; een beknopte beschrijving en een overzichtskaartbeeld (bijlage 2) zijn voor u bijgevoegd.

Het Functioneel Programma van Eisen voor het station Dieren is eveneens toegevoegd. Hierin zijn onder meer de basiseisen opgenomen die door Prorail gesteld worden aan perronlengte, perronbreedte, toegangen, overkapping etc.
Op basis van zorgvuldige afwegingen en besluitvorming (zoals omschreven in de samenwerkings-overeenkomst) kunnen op onderdelen verschuivingen en/of aanpassingen plaatsvinden.

Start planfase
Vervolgens dient voor de planfase een samenwerkingsovereenkomst met de provincie Gelderland en Prorail te worden aangegaan. Het College van Burgemeester en Wethouders is, ter uitvoering van dit onderhavige door uw Raad te nemen besluit, in deze het bevoegd orgaan om deze overeenkomst aan te gaan en uit te voeren.
De samenwerkingsovereenkomst heeft betrekking op de planfase van 2-3 jaar (bijlage 3).

Provincie en gemeente blijven gedurende de planfase –zowel inhoudelijk als financieel- gezamenlijk verantwoordelijk voor het project.
ProRail is een belangrijke samenwerkingspartner voor met name de (spoor)infrastructuur. Provincie en gemeente delen in de planfase elk voor 50% in de risico’s. Deze risico’s zijn in deze fase overigens nog (relatief) beperkt van aard en omvang; zie hiervoor de risico-inventarisatie.

Speciaal wordt geattendeerd op artikel 15: aansprakelijkheid voor fouten. Dit artikel legt nadrukkelijk de verantwoordelijkheid bij die partij, die fouten maakt in het uitvoeren van haar wettelijke taken.
De eventuele voorbereiding daarvan door de projectorganisatie doet daar niets aan af.

Onder de samenwerkingsovereenkomst liggen, behalve de eerdergenoemde businesscase 2005 en de Functionele Programma's van Eisen voor spoor, weg en station, nog een aantal stukken, die een relatie hebben met deze overeenkomst, te weten:
a het contracteringsplan, waarin de wijze van contracteren zoals die is voorzien voor de verschillende onderdelen van het project (infrastructuur en gebiedsontwikkeling). Het contracteringsplan ligt voor u bij de griffie ter inzage. Een bestuurlijke samenvatting en toelichting op het contracteringsplan is bijgevoegd (bijlage 4);
b een risico-inventarisatie voor de planfase, zoals deze in de samenwerkingsovereenkomst is opgenomen en bij de businesscase 2005 is weergegeven (bijlage 5);
c de randvoorwaarden en uitgangspunten voor het op te stellen stedenbouwkundige Programma van Eisen (PvE) en het hierop gebaseerde stedenbouwkundige ontwerp voor de gebiedsontwikkeling.
De stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten zijn opgenomen in het gemeentelijke Structuurplan, dat op 29 maart jl. door uw Raad is vastgesteld.
Het Structuurplan en de daarin opgenomen de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten zijn als bijlage 6 bijgevoegd.

In de overeenkomst zijn de uitgangspunten opgenomen voor een gezamenlijke projectorganisatie en waarvan de nadere uitwerking in de planfase zal plaatsvinden in de vorm van een projectplan.

5 Draagvlak
Zowel maatschappelijk als bestuurlijk is voor het plan draagvlak aanwezig. Merkbaar is wel dat naarmate het plan planologisch en technisch concreter wordt, de discussies over het project toenemen.

Centraal staan daarin de vragen of het plan wel gaat beantwoorden aan de doelstellingen en verwachtingen, zoals die gedurende het planproces zijn geformuleerd en zijn gewekt (afdoende doorstroming van het verkeer in het algemeen, past de schaal van de bebouwing wel bij Dieren, bereikbaarheid van (delen van) het dorp, blijft het project binnen het beschikbare budget, etc.).

Om draagvlak te behouden en waar mogelijk te vergroten is een zorgvuldig en interactief proces tussen bestuur en bevolking noodzakelijk. Recentelijk is met dit proces een start gemaakt, waarin het besluitvormingstraject (voor ons college en uw Raad), de gebiedsontwikkeling en het verkeer (voor bevolking en belanghebbenden) centraal staan.

De klankbordgroep, de Stichting Dieren door 't Lint en het Comité Dieren-Zuid hebben als reguliere gesprekpartners in de contacten met de gemeente een duidelijk positief, maar ook kritisch signaal afgegeven. Deze overlegorganen geven aan zo snel mogelijk over en op basis van feiten, kaarten etc. te willen communiceren.
Uw college deelt deze mening en streeft derhalve naar continuïteit en een adequate planuitwerking en ontwikkelingstempo, zodat mogelijk veronderstellingen en niet-gedeelde beelden tot het verleden behoren.

6 Financiële consequenties

aalbaarheidsfase
De kosten van de haalbaarheidsfase (2001 tot en met 1 april 2005) bedragen (afgerond): € 2,5 miljoen.

Deze zijn samengesteld uit: kosten externe adviesbureaus (adviezen met betrekking tot contractering, ingenieursdiensten, stedenbouwkundig advies en ro-procedures, communicatieadvies en uitvoering) en kosten projectorganisatie (provincie en gemeente, incl. inhuur). De kosten van verwervingen onroerend goed bedragen tot nu toe € 1,5 miljoen.

Conform de met de provincie Gelderland gesloten overeenkomst voor de haalbaarheidsfase delen provincie en gemeente (50/50) de externe kosten (externe onderzoeken en adviezen). De eigen apparaatskosten zijn voor eigen rekening van provincie en gemeente (maar kunnen te zijner tijd wel worden ingebracht in het project).

Voor de gemeentelijke bijdrage in de kosten van de haalbaarheidsfase zijn in 2001, 2002, 2003 en 2004 voorbereidingskredieten beschikbaar gesteld voor een totaal van € 745.160,--, met dekking uit de reserves en voorzieningen: reserve Hart van Dieren.

PlanfaseDe Businesscase 2005 geeft een volledig overzicht van alle kosten, opbrengsten, bijdragen en onzekerheden, dit alles naar de stand van zaken en inzichten bij de start van de planfase (peildatum: 1 april 2005).

De businesscase is het financiële kader waarbinnen de planuitwerking in de planfase plaatsvindt (zie ook de samenwerkingsovereenkomst, waarin dit is vastgelegd).
Gezien het vertrouwelijke karakter van de businesscase wordt hier volstaan met een verwijzing naar de businesscase, die vertrouwelijk, met toepassing van artikel 10 lid 2b van de Wet openbaarheid van bestuur, beschikbaar is.

Op basis van de huidige inzichten sluit de businesscase met een saldo tussen 0 en - € 2,9 miljoen (prijspeil 2012). Het daadwerkelijke saldo is afhankelijk van het tempo van uitgaven in de komende jaren en de mogelijkheden om renteopbrengsten van de toegekende rijks-, KAN-, provinciale- en gemeentelijke bijdragen voor het project te behouden.

Gesteld kan worden dat er sprake is van een solide businesscase en dat het licht negatieve saldo geen belemmering behoeft te zijn om formeel te starten met de planfase. In de businesscase is uitgegaan van conservatieve ramingen en is van grondig onderzochte en getoetste gegevens gebruik gemaakt.

Voor onzekerheden die negatief kunnen uitwerken is een bedrag opgenomen, onzekerheden die positief zullen uitwerken zijn niet of slechts ten dele op geld gesteld.

Daarnaast zijn de risico’s voor de planfase gedefinieerd en voorzien van beheersmaatregelen (zie risico inventarisatie, bijlage 5). Bovendien zijn de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst zodanig dat maximaal kan worden gestuurd op kostenbeheersing en taakstellende opbrengsten.


Tot slot: een verschil van (maximaal) 3% tussen kosten en opbrengsten t.o.v. de totale projectbegroting is in dit stadium van het project volstrekt niet ongebruikelijk en zelfs als laag aan te merken. Gezien de wijze van het opstellen van de raming en de wijze van omgaan met onzekerheden biedt de projectbegroting voldoende ruimte om in het verloop van het proces het financiële gat te dichten.

Het is vervolgens van belang te benadrukken dat er ook tijdens de planfase nog meerdere go-no-go besluitmomenten zijn, zoals onder andere:

- naar aanleiding van het resultaat van de stedenbouwkundige visie en verkeersonderzoek (september/oktober 2005);
- bij de start aanbesteding;
- naar aanleiding van het resultaat van de eerste bieding van de marktpartij;
- naar aanleiding van het resultaat van de laatste bieding van de marktpartij;
- zie hiervoor ook het besluitvormingsdocument (bijlage 1).

7 Aanpak/uitvoering planfase

a Personeel
De in 2001 met de provincie gesloten samenwerkingsovereenkomst komt met de beëindiging van de haalbaarheidsfase te vervallen.

Voor de planfase wordt nu een nieuwe samenwerkingsovereenkomst aangegaan en voor de organisatie een aparte projectorganisatie samengesteld. Samenstelling, taken en bevoegdheden zijn in de bijgevoegde samenwerkingsovereenkomst weergegeven. Nadere uitwerking van de ambtelijke projectorganisatie vindt plaats in de planfase.

b Communicatie
In de planfase neemt de communicatie een belangrijke plaats in.
Zoals eerder vermeld wordt er een intensief overleg tussen ons college en uw Raad voorgestaan.

Met de bevolking wordt thans gecommuniceerd over de gebiedsontwikkeling en verkeer door middel van de ingestelde klankbordgroep, de Stichting Dieren door ’t Lint en het Comité Dieren-Zuid. Daarnaast zal met belanghebbende groeperingen en instellingen (stakeholders) worden gecommuniceerd.

Communicatie vindt voorts plaats door middel van de gebruikelijke instrumenten zoals nieuwsbrief, website, inloopavonden en het inloopspreekuur, zoals dat binnenkort van start gaat.

Om al deze activiteiten kwalitatief en kwantitatief adequaat in te zetten wordt voor deze fase en de fase daarna (de uitvoeringsfase) een communicatieplan opgesteld.
Hierover zult u (via de commissie) nader worden geïnformeerd.

c Uitvoeringsrisico’s
In de risicoinventarisatie voor de planfase zijn de risico’s die provincie en gemeente lopen, de (mogelijke) effecten en de sturings- en beheersmaatregelen opgenomen. Van belang is om in het oog te houden dat de risico’s in de planfase relatief beperkt van aard en omvang zijn; de grootste risico’s zijn gelegen in de realisatiefase. Uit de inventarisatie, maar ook uit de ervaringen in andere projecten, blijkt dat het van het grootste belang is dat partijen consequent vasthouden aan de vast te stellen FpvE’s (voor zowel de infrawerken als voor het gebied). Tevens blijkt dat het tempo van werken en besluiten nemen van groot belang is. Op deze aspecten zal dus ook zoveel mogelijk gestuurd (moeten) worden.

Het risico dat provincie en gemeente (ieder voor 50%) in de planfase lopen, wordt groter naarmate het planproces vordert.Stop bij start planfase: het risico betreft de plan- en voorbereidingskosten die zijn gemaakt gedurende de haalbaarheidsfase. Totaal: € 1,5 miljoen.

Voorts het mogelijke verkoopverlies incl. renteverlies van de reeds aangekochte panden, zijnde ca. € 0,5 miljoen. Totaal: € 2 miljoen.
1 Stop tijdens de aanbesteding van de infrastructuur: de aanbestedingskosten van ca. € 2 à € 3 miljoen, voorts de ontwerpvergoedingen van ca. € 1 miljoen, en tot slot de mogelijke kosten van arbitrage van ca € 1 miljoen. Totaal: € 4 à € 5 miljoen.
2 Stop tijdens de ontwerpcompetitie gebiedsontwikkeling: interne kosten ca. € 0,2 miljoen, ontwerpvergoedingen ca. € 0,2 miljoen (arbitrages zijn zeldzaam bij dit soort competities). Totaal: € 0,4 miljoen.
3 Stop op het moment dat het grootste deel van de grondverwerving heeft plaatsgevonden: mogelijk verkoopverlies, incl. renteverlies, totaal ca. € 1,5 miljoen.

Totaal cumulatief: 2+ 4/5+0,4+1,5= € 8 à 9 miljoen.

d Financiën
Op 21 december 2004 hebt u ingestemd met het indexeren van de gemeentelijke reservering van de bijdrage aan het project Hart van Dieren.
Thans wordt uw instemming gevraagd voor het vrijgeven van de uitgaven volgens het kasritme, zoals dat in de gemeentelijke begroting is opgenomen. Voor het jaar 2005 betekent dat een mogelijke uitgave van € 170.000,--.

Inmiddels is –ter uitvoering van de beschikking van VROM– de 1e tranche van de rijksbijdrage ad € 2,8 miljoen (van in totaal € 53,3 miljoen) uitgekeerd; de tranche 2005, ad € 3 miljoen zal in de loop van mei 2005 worden uitgekeerd.
Met deze rijksmiddelen kunnen de nog lopende voorbereidingskredieten worden afgelost.
Naar verwachting zullen de rijksmiddelen voor 2005 toereikend zijn om de kosten te kunnen dekken en de gemeentelijke reservering niet behoeft te worden aangesproken.

In de businesscase is een gemeentelijke nominale bijdrage opgenomen van het naar 2012 geïndexeerde bedrag van € 14,2 miljoen. Dit bedrag komt voort uit de in 2002 ingeboekte gemeentelijke bijdrage van € 12,2 miljoen. Op basis hiervan heeft het Ministerie van Volkshuis-vesting, Ruimtelijke Ontwikkeling en Milieu (VROM) de beschikking voor de rijksbijdrage gegeven.

In 2002 is uitgegaan van een gemeentelijke bijdrage van € 11,3 miljoen, die ten laste komen van de reserves Hart van Dieren en een bijdrage uit de opbrengsten van de ontwikkeling van het Ericaplein van € 1,2 miljoen. Immers in het oorspronkelijke plan was een evenementenplein opgenomen, dat de functie van het Ericaplein zou vervangen.

In de raadsvergadering van december 2004 bent u akkoord gegaan met de indexering van het bedrag van € 11,3 miljoen.

Over het beschikbaar stellen van de € 1,2 miljoen ten gevolge van de ontwikkeling Ericaplein heeft nog geen expliciete besluitvorming plaatsgevonden.
Voorgesteld wordt een bijdrage vanuit de grondexploitatie beschikbaar te stellen van € 1,2 miljoen. Dit kan in de begroting grondexploitatie 2006 worden verwerkt.
Over de invulling hiervan kunt u te zijner tijd een voorstel tegemoet zien.

Tot slot wordt opgemerkt dat over de financiële projectadministratie nog nadere afspraken worden gemaakt tussen provincie en gemeente, waarbij onder meer beheer en marktrente(verdeling) aan de orde komt.

Uitgangspunt is een gelijkwaardige verdeling tussen provincie en gemeente van de rentevoordelen als gevolg van verhoging van het kasritme door het Ministerie van VROM. Hierover wordt u te zijner tijd geïnformeerd.

e Plan van aanpak
Het plan van aanpak ligt opgesloten in de samenwerkingsovereenkomst, het programma van eisen voor zowel de infrastructuur spoor en weg als voor de gebiedsontwikkeling, het (vigerende) communicatieplan, het contracteringsplan en de Businesscase 2005.

Opgemerkt wordt dat het project wordt gekenmerkt door voortschrijdend inzicht. Dit betekent dat schetsontwerpen kunnen worden bijgesteld evenals de gebiedsgrenzen voor de gebiedsontwikkeling. Bij de nadere invulling ervan worden de gebiedscontouren steeds scherper. Aan het einde van planfase kan dit er toe leiden dat van een aantal percelen de Wet voorkeursrecht gemeente kan worden doorgehaald. De mogelijke inmiddels verworven panden kunnen alsdan weer op de markt worden gebracht.

Resumerend wordt u voorgesteld in te stemmen met:
1 de samenwerkingsovereenkomst;
2 de Functionele Programma's van Eisen van spoor, weg en station; en
3 het vrijgeven van de financiën volgens het kasritme opgenomen in de gemeentelijke begroting en het ontbrekende bedrag € 1,2 miljoen (prijspeil 2002) te dekken uit het grondbedrijf.

De Steeg, 19 april 2005

Burgemeester en Wethouders van Rheden,

P.M. van Wingerden-Boers,
burgemeester.

drs. W.A.J. van de Giesen,
secretaris.

Bijlage 1: Besluitvormingsdocument
Bijlage 2: Beknopte beschrijving en een overzichtskaartbeeld van de infrastructuur
Bijlage 3: Samenwerkingsovereenkomst
Bijlage 4: Samenvatting van het contracteringsplan
Bijlage 5: Risico-inventarisatie
Bijlage 6: Structuurplan en de daarin opgenomen de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten

Ter inzage: Schetsontwerp en programma's van eisen
Contracteringsplan
==============================================================

donderdag 10 april 2008

Extern onderzoek: Waar is de politieke context?

Het Lysias-rapport heeft het over feiten en constateringen maar had van mij meer aandacht mogen besteden aan de politieke context waarin alles zich heeft afgespeeld. De (politieke) verhoudingen in de raad en tussen de raad en het college van B&W.
Bij lezing van het rapport kreeg ik het gevoel dat het puur om organisaties, posities in die organisaties, over procedures en formele bevoegdheden ging.

Politieke context: een lastig en glibberig onderwerp maar het kan meer inzicht geven. Bijvoorbeeld in het feit dat de raad zo weinig grip kreeg op het project.

Dat wil niet zeggen dat het rapport geen politiek instrument is. Er wordt wel degelijk politiek bedreven met het rapport. Maar daar kom ik nog op terug.

In 2005 zat Leefbaar Rheden nog in de coalitie. Met twee moties hebben wij toen geprobeerd om de kaderstellende en controlerende rol inhoud te geven. De raad heeft beide keren deze voorstellen verworpen. En waarom? Daar zijn meerdere oorzaken voor aan te wijzen.

• Coalitie” partners” VVD en CDA wilden al langer af van Leefbaar Rheden. Bij het aantreden van de coalitie veronderstelden deze partijen een volgzame partij die braaf alle beslissingen van het college zou volgen en zich zou aansluiten bij de gedachten en opinies van VVD en CDA. Maar dat pakte anders uit. Leefbaar Rheden stelde zich kritisch en onafhankelijk op en dat was moeilijk voor die partijen te verteren. Uiteindelijk wilden ze gewoon van Leefbaar Rheden af. Dat heeft zeker meegespeeld bij de stemmingen over de moties.

• Het college vreesde dat de raad teveel invloed kreeg. Het college van B&W heeft een actieve rol gespeeld in het voorkomen dat de raad meer grip op het project kreeg. Na het sneuvelen van de eerste motie over controle op het project (31 mei 2005) hebben VVD-wethouder Holleman en CDA-wethouder Jansen achter de rug van Leefbaar Rheden om een tweede motie over het aantrekken van een raadsadviseur getorpedeerd. De fractievoorzitters van CDA en VVD die eerst géén bezwaar hadden tegen een raadsadviseur bleken na dat gesprek ineens tegen. Duidelijker voorbeeld van invloed van het college op de raad is bijna niet denkbaar.

• Onkunde en pure luiheid van raadsleden. De voorbeelden van uit de hand gelopen projecten lagen voor het grijpen. Op landelijk niveau had de commissie-Duijvestijn uitgebreid onderzoek naar dit fenomeen gedaan en was met concrete en werkbare aanbevelingen gekomen. Maar behalve wij had niemand in de raad de moeite genomen om deze stukken te lezen en een aantal van deze aanbevelingen te vertalen naar Hart van Dieren. Waarom zouden ze ook? Het was veel makkelijker om het college te volgen. Bovendien kreeg ik de indruk dat veel raadsleden niet eens begrepen waar het allemaal om ging.

• Politiek om de politiek. Het algemeen belang sneeuwt nogal eens onder bij het partijbelang. Dat begrijp ik op zich prima maar als grote belangen op het spel staan zoals bij Hart van Dieren moet je je boven het partijbelang kunnen stellen. En niet alleen maar tegen zijn omdat een voorstel niet uit eigen koker komt. En partijen die overal tegen zijn kom je ook overal tegen.

• (Mis)gunning. Niets menselijks is ons vreemd. Persoonlijke verhoduingen, sympathiën en antipathiën spelen ook in de politiek een grote rol. Vaak gemaskeerd door politieke argumenten. Van de één accepteer je nu eenmaal eerder een idee of voorstel dan van iemand die je minder goed ligt.

Dat schetsen van die politieke context hoeft natuurlijk niet allemaal op de wijze zoals hierboven beschreven en het beslaat niet alleen Leefbaar Rheden maar de hele politiek-brede constellatie. Dit facet blijft echter onderbelicht in het rapport.

Extern onderzoek: Gespreksverslag

De begeleidingscommissie van het externe onderzoek heeft besloten om de interviewverslagen geheim te houden.

Ik kan begrijpen dat er mensen zijn die hun naam niet verbonden willen zien aan uitspraken die misschien schadelijk zijn voor hun carrière of hun baan. Daarbij denk ik voornamelijk aan ambtenaren maar daar was met anonimisering van verslagen best wat aan te doen geweest. En informatie die direct tot de geïnterviewde leidt en die schadelijk voor hem/haar is had in overleg met de betrokkenen op een andere manier kunnen worden gepresenteerd.

In ieder geval hadden betrokkenen zelf de beslissing moeten kunnen nemen of hun bijdrage al dan niet openbaar zou zijn.

De geïnterviewden wisten vooraf niet hoe hun bijdrage in het onderzoek zou worden verwerkt. Dat had ook veel explicieter gekund en dan hadden deze mensen ook niet kunnen protesteren. Met andere woorden: onderzoeker en begeleidingscommissie hebben naar believen en oncontroleerbaar in deze gesprekken kunnen shoppen. Welke informatie is er in het filter uitgezeefd en/of vervormd doorgekomen?

Zijn de opmerkingen die gemaakt zijn soms te pijnlijk voor betrokkenen? Was de begeleidingscommissie bang dat ze "out of control" raakt en dat de positie van wethouders, ambtenaren en raadsleden rechtstreeks ter discussie wordt gesteld?

Daarom heb ik altijd gepleit voor een officieel raadsonderzoek (volgens artikel 155 gemeentewet) waarin alle betrokkenen hun verhaal in het openbaar komen doen voor een onderzoekscommissie. Huidige en gewezen bestuurders, politici en ambtenaren zijn dan verplicht om te getuigen, stukken ter beschikking te stellen en volledige medewerking te geven. Alleen om gewichtige redenen kan worden besloten om een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen.

Mijn bijdrage is in ieder geval openbaar. Hieronder vindt u het gespreksverslag. Ik had het ook al eerder gepubliceerd maar het was moeilijk te vinden. Een linkje werkte niet meer.

Hopelijk zijn er nog meer geïnterviewden die hun verhaal openbaar willen maken.
----------------------------------------------------------------------
Vertrouwelijk

Verslag interview onderzoek Hart van Dieren
Datum: 31 januari 2008
Gesprekspartner: de heer Kooijmans

Mailadres voor toezending interviewverslag: theo.kooijmans@tiscali.nl
-----------------------------------------------------------------------------------------
Vooraf
De heer Kooijmans is vanaf 2002 tot 2006 raadslid en fractievoorzitter van Leefbaar Rheden geweest. Leefbaar Rheden vormde in de periode 2002-november 2005 samen met de PvdA, de VVD en het CDA de coalitie.

De heer Kooijmans geeft aan dat hij het verslag op zijn website zet.

Het interview
Wethouder Schadd was tijdens zijn aantreden als fractievoorzitter de verantwoordelijk projectwethouder voor Hart van Dieren. In de periode van 2002 tot 2004 speelde volgens de heer Kooijmans nadrukkelijk de vraag of er een Rijksbijdrage kon worden verkregen voor het project. Er was veel gekrakeel rond het bedrag dat aan Rijkssubsidie zou worden binnengehaald. In 2003 was een alternatievenstudie uitgevoerd, waarin 8 varianten werden gepresenteerd. Eind 2004 bleek dat er een Rijksbijdrage was toegezegd van ongeveer 50 miljoen euro. Dat was 20 miljoen minder dan het aanvankelijk toegezegde bedrag door de Tweede kamer.

Incidenteel ging het in de periode 2002 - 2004 ook over andere projectgerelateerde zaken, zoals de Wet Voorkeursrecht Gemeenten en vorming van een voorziening voor het project.

Eind 2004 werd het menens, de 8- variant kreeg verder vorm. Er werd gesproken over kasritmes en financiering. De raad werd wakker. De heer Kooijmans geeft aan dat de raad niet betrokken is geweest bij de alternatievenstudie uit 2003 en dat de uiteindelijke keuze voor de 8- variant geen expliciete keuze is geweest van de raad. Dat zag je ook wel aan de raadsbehandeling van de businesscase 2005 (BC 2005) en de Samenwerkingsovereenkomst (SOK) in 2005. Er was een stortvloed aan vragen tijdens de vertrouwelijke raadsvergadering. De fractie van Leefbaar Rheden kwam hard in aanvaring met de coalitiepartijen. De heer Kooijmans geeft aan dat hij grote twijfels had over de financiële onderbouwing van de BC 2005. In zijn optiek rammelde de BC 2005 op een aantal belangrijke uitgangspunten. De heer Kooijmans geeft aan dat zijn vragen (gesteld eind 2004/begin 2005) uiteindelijk pas werden beantwoord na de behandeling van de BC 2005 in de raad (31 mei 2005). De heer Kooijmans geeft verder aan dat er in de periode tot aan de BC 2005 veel verschillende bedragen naar buiten kwamen. Dat maakte de discussie niet overzichtelijker. In februari 2005 werd op vragen van Leefbaar Rheden nog aangegeven dat het project op 126 miljoen euro was begroot. In april was dit plotseling gezakt naar 104,5 miljoen. Tevens bleek dat provincie en gemeente niet de beoogde 70 miljoen euro van regionale partijen (zoals gemeente en provincie voortdurend hadden beweerd) bij elkaar hadden gekregen maar slechts 45 miljoen euro. Opmerking: het bedrag is volgens mij 50 miljoen.

8-2-2008: Commentaar Theo Kooijmans (staat dus niet in het verslag): Deze opmerking is door de onderzoeker toegevoegd. Ik heb het daarom nog eens nagekeken. Ik kom uit op een bedrag van 47,9 miljoen aan bijdragen uit de regio: 29,2 miljoen euro van de provincie, 14,2 miljoen euro van de gemeente en 4,5 miljoen euro van het KAN (de huidige Stadsregio Arnhem-Nijmegen). Ik heb vrede met die 50 miljoen.

Uiteindelijk overheerste bij de meerderheid van de raad het gevoel dat het toch maar gelukt was om 50 miljoen binnen te halen. De raad heeft volgens de heer Kooijmans feitelijk zijn kaderstellende rol niet ingevuld. De raad liep achter de muziek aan; het college regelde het allemaal wel, was en is zijn (stekelige) gevoel.

De heer Kooijmans geeft aan dat er in de raadsvergadering van 31 mei 2005 een motie door hem is ingediend, waarin gevraagd werd om de (financial) control op het project aan te scherpen. Dit was onder andere naar aanleiding van de conclusies uit de parlementaire enquête over de HLS en Betuweroute. Hij beoogde om de controlerende taak van de raad te versterken. De motie is volgens de heer Kooijmans ‘van tafel geveegd’. Het college, bij monde van de projectwethouder, gaf in die tijd ook aan dat ‘ze er boven op zaten’ en dat ze zouden zorgen voor voortgangsrapportages. De heer Kooijmans geeft aan dat de raad daar genoegen mee nam. Hiermee heeft de raad zijn controlerende kerntaak verzaakt.

Hij geeft verder aan dat het gemiddelde raadslid onkundig is als het gaat om projecten van deze omvang. En hij is van mening dat het college niet wilde dat de raad ze voor de voeten zou lopen. Over de tussentijdse voortgangsinformatie die de raad uiteindelijk onder ogen kreeg, geeft de heer Kooijmans aan dat de informatie geen inzicht gaf in de stand van zaken van het project en dat er geen relatie werd gelegd met de BC 2005. Je had er als raad niets aan. Dat was ook een van de constateringen van de rekenkamercomminissie in april 2007.

Na het van tafel vegen van de motie wilde Leefbaar Rheden uit de coalitie stappen. In een lijmpoging zijn de fractievoorzitters van de coalitiepartijen (PvdA, VVD, CDA en Leefbaar Rheden) toen bijeen gekomen. Er was volgens de heer Kooijmans overeenstemming over het regelen van raadsondersteuning voor het project Hart van Dieren. Begin juli 2005 zou de PvdA de motie indienen, aldus de heer Kooijmans. In de betreffende raadsvergadering is de motie echter nooit ingediend. In de optiek van de heer Kooijmans hebben de toenmalige wethouders van VVD en CDA hier een stokje voor gestoken. Hij was daar erg boos over. De heer Kooijmans geeft aan dat hij er van overtuigd is dat het college van B&W niet wilde dat de raad ‘in control’ kwam. In november 2005 heeft hij alsnog de motie ingediend. Deze werd door onder anderen de coalitiegenoten VVD en CDA afgewezen. Dat was voor hem het sein om uit de coalitie te stappen (in november 2005).

De heer Kooijmans geeft aan dat hij in februari 2006 wederom een motie indiende. Ditmaal ging het over het instellen van een referendum over Hart van Dieren. Hij schetst dat er in die periode veel weerstand onder de bevolking aan het ontstaan was. Dat culmineerde in 1.500 bezwaarschriften op het Verkeerscirculatieplan (VCP). De motie is volgens de heer Kooijmans door alle partijen van tafel geveegd.

Na de verkiezingen in 2006 kwam Leefbaar Rheden niet terug in de raad. Hij heeft het dossier Hart van Dieren niet meer gevolgd tot het moment dat hij steeds meer signalen kreeg dat de bevolking een onjuist beeld geschetst kreeg over de mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het plan hart van Dieren. De heer Kooijmans geeft aan dat hij zeer teleurgesteld was in de opstelling van de toenmalige coalitiepartijen SP en Gemeentebelangen die hij van kiezersbedrog beticht. Hij geeft aan dat de bevolking in bouwstenensessies werd gevraagd met ideeën te komen, maar de variant (8-) stond volgens hem op voorhand vast. Een woordvoerder van Gemeentebelangen gaf in een krantenartikel in die tijd aan dat zijn partij als enige tegen de overgang van de haalbaarheidsfase naar de planfase had gestemd. Dat was volgens de heer Kooijmans onjuist; ook Leefbaar Rheden, Groenlinks en twee leden van de PvdA-fractie hadden tegen de plannen gestemd. Vanaf dat moment is hij het project weer gaan volgen.

De heer Kooijmans geeft aan dat de gemeente er niet in geslaagd is om draagvlak te verwerven voor de plannen. Er was wel draagvlak voor de oorspronkelijk variant 8. Ogenschijnlijk heeft de gemeente zich ingespannen om draagvlak te krijgen voor de plannen; dat werd met de mond beleden, maar feitelijk gebeurde er niets met de inspraak van de inwoners. Ook de klankbordgroep voelde zich volstrekt genegeerd door de gemeente.

Het GBO (Gezamenlijke Belangenorganisaties Dieren) werd op een gegeven moment zelfs niet meer te woord gestaan door projectbetrokkenen. De bevolking en de gemeente staan met de rug naar elkaar toe, aldus de heer Kooijmans. Het vertrouwen is helemaal weg. Elke oplossing die in deze setting bedacht wordt, is gedoemd te mislukken.

De heer Kooijmans geeft aan dat hij zich erg gestoord heeft aan het feit dat de BC 2005 niet openbaar was en is. Dat maakt een openbaar debat over het project feitelijk onmogelijk. Hij is zeer ontstemd over het feit dat de stuurgroep gegevens uit de businesscases 2005 en 2007 openbaar maakte in de zgn verschillenverklaring van begin november 2007. Terwijl de overige kennishebbers van deze businesscases gehouden waren aan de geheimhoudingsplicht. Hij heeft daarop aan B&W en de stuurgroep gevraagd om deze alsnog openbaar te maken. Dat werd niet gehonoreerd. In dezelfde brief had hij een klacht ingediend wegens onbehoorlijk bestuur die niet in behandeling werd genomen. Integendeel, in het antwoord aan de heer Kooijmans meldde B&W dat als hij ( de heer Kooijmans) zaken uit de hem bekende businesscase 2005 openbaar zou maken hij strafvervolging riskeerde. Daarop heeft de heer Kooijmans bij de politie aangifte gedaan van schending van de geheimhoudingsplicht door de leden van de stuurgroep e.a. van Hart van Dieren. Deze aangifte is (31-1-2008) nog in behandeling.

Gevraagd naar zijn reactie op de interne audit, geeft de heer Kooijmans aan dat als je de audit goed leest, het vernietigend is voor de rol die de stuurgroep heeft gespeeld. De controle op het project is volstrekt onvoldoende geweest en de stuurgroep had al in een zeer vroeg stadium (2005) kunnen en moeten weten dat het projectbudget onvoldoende was. Dat is de projectdirectie ook aan te rekenen. Naar de mening van de heer Kooijmans heeft de projectdirecteur op de eerste plaats de belangen van de provincie behartigd en onvoldoende oog gehad voor het belang van de gemeente en de inwoners van Dieren. De stuurgroep en de projectdirectie hebben bewezen dat ze onvoldoende gekwalificeerd waren om dit project tot een goed einde te brengen.

Hij vindt de gevolgen van het project tot nu toe zeer kwalijk. Er zijn mensen hun huis uit gezet. Mensen hebben honderden uren van hun vrije tijd gestoken in het meedenken over de plannen, maar daar is door de gemeente niets mee gedaan. Er is gemeenschapsgeld door het afvoerputje gegaan. Wat hem betreft moeten alle betrokkenen daar hun consequenties uit trekken, bestuurders (B&W,gedeputeerden) en politici inclusief de daarvoor verantwoordelijke raadsleden, die al vanaf 2005 de controletaken voor dit project hebben verzaakt.

De heer Kooijmans heeft aan de interviewer tevens aanvullende informatie verstrekt die naar aanleiding van vragen van Leefbaar Rheden door het college van B&W aan hem is verstrekt. Deze informatie valt deels onder de geheimhoudingsplicht.

Extern onderzoek: Vervormde geschiedenis

Na tweede lezing van het Lysias-rapport ben ik iets milder gestemd. Ik vond eerst mijn opmerkingen niet terug maar er zijn enkele passages die daaraan refereren. Niet expliciet maar toch, het is in ieder geval iets.

Maar ik blijf ontvreden. Er staat enkele pertinente onjuistheden in het rapport.

Op pagina 23 van de bijlagen staat de volgende alinea:

Op 31 mei 2005 spreekt de gemeenteraad over de BC 2005 (agendapunt 3) en het beëindigen van de haalbaarheidsfase/overgang naar de planfase (agendapunt 9). De gemeenteraad stelt (onder geheimhouding) veel vragen over de BC. In totaal gaat het om ongeveer 350 vragen die onder geheimhouding vallen op grond van art. 25, 55 en 86Gemeentewet en artikel 10, lid 2b Wet Openbaarheid van Besuur. Deze vragen zijn ten behoeve van de raadsvergadering beantwoord. Daarnaast is sprake van moties van GroenLinks en Leefbaar Rheden. Ook deze vallen onder geheimhouding. Deze moties worden niet aangenomen.
Die laatste zinnen kloppen dus gewoon niet. De motie van GroenLinks was geheim maar de motie van Leefbaar Rheden was openbaar en werd dan ook uitgebreid in de openbare raadsvergadering van 31 mei 2005 behandeld. De manier waarop dit in het rapport is verwerkt stelt de opstellers in staat om dit onderwerp te omzeilen. En dat onderwerp is dat de raad zijn verantwoordelijkheid ontliep. Bewust!!

Op 31 mei 2005 heeft de gemeenteraad, met het verwerpen van onze motie, expliciet aangegeven dat ze het niet nodig vond om grip op het project te krijgen. Ze stak op dat moment de kop in het zand zoals ze nu nog steeds doet. Daar heeft de gemeenteraad expliciet mee uitgesproken dat ze het onnodig vond om meer grip op het project te krijgen. En dan komt de “ slachtofferrol” van de raad toch weer in een iets ander daglicht te staan.

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat dit een onopzettelijke fout is. Wel van de onderzoeker maar niet van de begeleidingscommissie. Die weten heel goed wat er in de raadsvergadering van 31 mei gebeurt is.

Maar goed. In paragraaf 5.5 van het hoofdrapport staat weggestopt op pagina 51 het rapport de erkenning dat kritische geluiden op de financiële onderbouwing werden weggewuift.

Ondanks het feit dat de raad bij de behandeling van de Samenwerkingsovereenkomst en de businesscase 2005 veel vragen heeft gesteld, was de feitelijke situatie er een van ‘slikken of stikken’. Het was eigenlijk geen optie om al te kritisch te zijn op het behaalde onderhandelingsresultaat. De kritische geluiden op de financiële onderbouwing van de plannen uit een klein deel van de raad werden daarmee weggewuifd. Uiteindelijk overheerste bij de meerderheid van de raad het gevoel dat het toch maar gelukt was om € 50 miljoen binnen te halen.


Die kritische geluiden op de financiële onderbouwing kwamen vooral van de fractie van Leefbaar Rheden. En die probeerde daar dan ook wat aan te doen.

En pagina 52/53 (zelfde paragraaf 5.5) van het hoofdrapport bevat een volgende onjuiste voorstelling van zaken.
De betrokkenheid van de raad

Het project Hart van Dieren was voor de gemeente Rheden een uniek project, van ongekende complexiteit en omvang. Van een gemiddeld raadslid kan niet verwacht worden dat hij of zij het project in al zijn finesses kan doorgronden. Dat is in de raad ook onderkend. Voor en vrij snel na het moment dat de BC 2005 ter goedkeuring aan de raad werd voorgelegd, is er tweemaal een motie ingediend om een externe adviseur aan te stellen, die in opdracht van de raad het project zou moeten monitoren. Deze voorstellen hebben het echter niet gehaald. De gemeenteraad was in meerderheid van mening dat dit grote project moest worden overgelaten aan specialisten die in de projectorganisatie zaten en kundig genoeg zouden moeten zijn om het project te begeleiden. Daarnaast gaf het college van B&W, bij monde van de projectwethouder, aan dat ‘ze er boven op zaten’ en dat het college van B&W zou zorgen voor voortgangsrapportages. De raad heeft zichzelf hiermee een kans ontnomen om een rol van betekenis te spelen in het project.


Beide moties waren door Leefbaar Rheden ingediend. Die eerste motie ging helemaal niet om een raadsadviseur maar om stevige controle op en auditing van het project. Alleen de tweede motie had betrekking op een raadsadviseur. En de raad heeft dat alles dus NIET onderkend. Anders had ze die moties wel aangenomen. Maar het is en blijft waar. De raad heeft zichzelf de mogelijkheden ontnomen om haar controlerende taak invulling te geven.

Zou het toeval zijn? Toeval dat alleen mijn opmerkingen verkeerd of onjuist in het rapport zijn gekomen? Dat kan ik nauwelijks geloven. Volgens mij moeten ook andere geinterviewden zich achter de oren krabben.

Aan de andere kant. Laat ik de opmerkingen die ik wel terugvind maar als een soort van erkenning van onze inspanningen beschouwen. Zo wordt op pagina 27 van de bijlagen verwezen naar onze motie voor een referendum.

Op 21 februari 2006 spreekt de raad over Hart van Dieren. Er wordt een motie ingediend door Leefbaar Rheden waarin wordt gevraagd om de bevolking in een referendum zich te laten uitspreken over het project Hart van Dieren. Deze motie wordt verworpen.


Om de lezer een beter beeld te geven vindt u bijgaand nog maar weer eens de betreffende moties. Het gespreksverslag had ik ook al eerder gepubliceerd en zal ik opnieuw bovenaan de weblog plaatsen.

---------------------------------------------
Motie 31 mei 2005 over een controleprotocol
Met 3 stemmen vóór (Leefbaar Rheden,GroenLinks) en 22 stemmen tégen (PvdA, Gemeentebelangen, D66, VVD, CDA, ChristenUnie) verworpen

---------------------------------------------
De Raad van de gemeente Rheden, in vergadering bijeen op 31 mei 2005, sprekende over agendapunt 9, het voorstel betreffende Hart van Dieren

overwegende dat:
• aard, omvang en complexiteit van het Hart van Dieren rechtvaardigen dat invulling wordt gegeven aan het scheppen van omstandigheden en randvoorwaarden waardoor de Raad van de gemeente Rheden zijn functie als hoofd van de gemeente optimaal kan uitoefenen.

• geborgd moet worden dat de Gemeenteraad in alle komende fasen van het project zijn positie als controleur op een werkelijke goede manier kan invullen zowel waar het sturing en controle betreft als ten aanzien van de projectdoelen en de projectbeheersing.

besluit
• dit vorm te geven door de wijze van rapportage en verantwoording door het College van B&W aan de Raad van de Gemeente Rheden over het project Hart van Dieren gedurende de looptijd van het project aan een aantal voorwaarden te verbinden.

draagt het college van Burgemeester en Wethouders op:

• te garanderen dat de Gemeenteraad vroegtijdig betrokken wordt bij belangrijke besluiten en geïnformeerd wordt over opkomende feiten en risico’s die de uitkomsten van het project zowel materieel als financieel wezenlijk beïnvloeden. Een en ander zonodig in vertrouwelijkheid.

• iedere drie maanden een voortgangsrapportage over het project Hart van Dieren aan de Gemeenteraad aan te bieden.
Deze voortgangsrapportage omvat in ieder geval:
a. de ontwikkeling van de scope van het project ten opzichte van de huidige plan;
b. de ontwikkeling van de planning ten opzichte van het huidige plan;
c. de ontwikkeling van de financiën ten opzichte van het huidige plan;
d. de ontwikkelingen in de aan het project verbonden risico’s, de beheersing ervan en de mogelijke financiële gevolgen;
e. wat de Gemeenteraad verder moet weten.

Daarnaast worden in de voortgangsrapportage ontwikkelingen in of veranderingen van de doelstellingen van het project en de hiervoor noodzakelijk randvoorwaarden, zoals flankerend beleid, in aparte paragrafen vermeld en toegelicht.

• bij deze voortgangsrapportages dient periodiek, op basis van een nader te bepalen frequentie, een rapport te worden gevoegd met een oordeel over de kwaliteit en volledigheid van de informatie in de voortgangsrapportage en over de toereikendheid van de projectorganisatie. Bij de beoordeling van de toereikendheid van de projectorganisatie wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de administratieve organisatie en de interne controle van het project.

• het rapport, zoals bedoeld in het voorgaande alinea, dient te worden opgesteld door een onafhankelijke externe auditor en wordt gelijktijdig met de voortgangsrapportage, als afzonderlijk document, aan de Gemeenteraad gezonden.


en gaat over tot de orde van de dag,

fractie Leefbaar Rheden,
M. Th. Kooijmans

---------------------------------------------
Motie 8 november 2005 over het aantrekken van een raadsadviseur

Het grappige is dat 99% van de tekst oorspronkelijk door de huidige wethouder Joop Kock is opgesteld met de bedoeling deze motie in te dienen in juli 2005. Dat werd echter voorkomen door ingrijpen van de wethouders Jansen (CDA) en Hollemans(VVD)

Met 11 stemmen vóór (Leefbaar Rheden, PvdA,GroenLinks, D66 en ChristenUnie) en 15 stemmen tégen (Gemeentebelangen. VVD en CDA) verworpen

---------------------------------------------
De Raad van de Gemeente Rheden, in vergadering bijeen op 8 november 2005

overwegende:
o dat het project Hart van Dieren gezien zijn omvang en complexiteit een zorgvuldige controle van de zijde van de Raad noodzakelijk maakt,
o dat die controle een zeer specifieke expertise veronderstelt waarvan niet verwacht kan worden dat die (in voldoende mate) aanwezig is binnen de Raad,
o dat soortgelijke overwegingen gelden waar het gaat om de uitoefening door de Raad van zijn kaderstellende taak en het hem toekomende budgetrecht ten aanzien van dit project,

besluit tot het aantrekken van een raadsadviseur Hart van Dieren, onder de navolgende condities:

1. taakstelling en profiel

De raadsadviseur heeft als kerntaak om ten behoeve van de Raad te beoordelen of de projectorganisatie en vervolgens het College:
o alle/voldoende alternatieven heeft afgewogen,
o heldere en passende keuzecriteria heeft gehanteerd (waartoe in ieder geval steeds behoort: het wegen van het oordeel/gevoelen van omwonenden en andere direct betrokkenen),

Meer in het bijzonder geeft de raadsadviseur een oordeel over en brengt in samenhang daarmee een advies uit aan de Raad over:
o de uitwerking van de plannen: past die binnen de begroting en de toerekening van de kosten aan de verschillende onderdelen (spoor, weg en bebouwing)?
o de risico’s (financieel, juridisch en milieutechnisch):
 zijn die in voldoende mate ingeschat?
 en zijn maatregelen getroffen ter voorkoming van het manifest worden van risico’s?
o de rapportages aan de Raad en de besluiten die op grond daarvan worden voorgelegd:
 zijn die correct en voldoende helder?
 wordt de Raad in voldoende mate in staat wordt gesteld om die besluiten te toetsen aan kaders en criteria?
 wordt de Raad in voldoende mate in staat wordt gesteld om (de risico’s van) uitstel af te wegen?
o over de signalering van belangrijke, niet omkeerbare stappen in het proces,
o over de gevolgen voor de omgeving tijdens de bouw: overlast, planschade e.d.
o over de communicatie met de omgeving.

Gegeven deze taakstelling zal de raadsadviseur in het bijzonder deskundig zijn op twee terreinen:
o stedebouwkundig: inrichting plangebied, verkeersafwikkeling e.d.
o processturing: naar/door Raad en omwonenden,en in afgeleide zin:
o (overheids)financiën.

2. tijdsinvestering en budget

o Vooralsnog wordt uitgegaan van een tijdsinvestering van ca. 24 dagen in 2006.
o Het college wordt verzocht om een voorstel ter dekking te doen waarbij de Raad in overweging geeft om de dekking te vinden in de businesscase Hart van Dieren.

3. wervingsprocedure, intake en begeleiding

Een beperkt aantal raadsleden –voor zover mogelijk met (enige) deskundigheid op dit terrein- wordt verzocht om:
o een selectiecommissie te vormen die een wervingsprocedure opstelt en uitvoert,
o in het vervolg te fungeren als aanspreekpunt voor de raadsadviseur.
De griffie coördineert en ondersteunt ook anderszins daarbij.

De griffie wordt verzocht om een voorstel voor de selectie en aanstelling van de
raadsadviseur op te stellen dat in de raadsvergadering van december 2005 kan
worden behandeld.


En gaat over tot de orde van de dag

fractie Leefbaar Rheden
Theo Kooijmans
---------------------------------------------
Motie 21 februari 2006 over het opstellen van een refrendumverordening.
Medeondertekend door Gemeentebelangen.

Met 8 stemmen vóór(Leefbaar Rheden, Gemeentebelangen en GroenLinks)) en 14 stemmen tégen (PvdA, VVD, CDA, ChristenUnie) verworpen. (D66 was afwezig)

---------------------------------------------
Motie Referendum

De raad van de gemeente Rheden, in vergadering bijeen op 21 februari 2006,

Constaterende:
­ dat de gemeente Rheden niet over een referendumverordening beschikt.
­ dat een raadgevend niet-correctief referendum de bevolking de mogelijkheid geeft zich op initiatief van een groep burgers uit te spreken over een voorgenomen besluit van de gemeenteraad of over een voorstel vanuit de bevolking;
­ dat een raadgevend correctief referendum de bevolking de mogelijkheid geeft zich op initiatief van een groep burgers uit te spreken over besluit dat reeds door de gemeenteraad is genomen;
­ dat een raadplegend referendum de gemeenteraad de mogelijkheid geeft de bevolking te vragen zich over een onderwerp uit te spreken;

Overwegende:
­ dat het referendum een instrument is om burgers meer te betrekken bij het gemeentelijk beleid door hen de mogelijkheid te geven direct invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming;
­ dat het referendum de positie van de raad versterkt, omdat het de legitimiteit van raadsbesluiten vergroot;

Besluit:
­ de griffie de opdracht te geven om de raad een voorstel te doen voor de vaststelling van een referendumverordening waarmee een raadgevend correctief referendum, een raadgevend niet-correctief referendum en een raadplegend referendum mogelijk worden gemaakt;
­ dit voorstel op zo kort mogelijke termijn doch uiterlijk in de maand april ter vaststelling aan de raad aan te bieden;

namens de fractie namens de fractie
Leefbaar Rheden Gemeentebelangen
Theo Kooijmans Wim Pieper
---------------------------------------------
2e motie op 21 februari 2006 over het houden van een referendum over Hart van Dieren.
Met 2 stemmen vóór(alleen Leefbaar Rheden) en 19 stemmen tégen (PvdA, GroenLinks, Gemeentebelangen, VVD, CDA, ChristenUnie) verworpen (D66 was afwezig)

---------------------------------------------
Overwegende:
­ Dat het project Hart van Dieren ingrijpende gevolgen zal hebben voor de inwoners van (het centrum van) Dieren;
­ Dat realisatie van de doelen van het project Hart van Dieren ook gevolgen zullen hebben voor de inwoners van de gemeente Rheden;
­ Dat het belang van het project Hart van Dieren is gediend met het vaststellen van de mate waarin de voorgestelde oplossing door de bevolking gedragen wordt;
­ Dat draagvlak voor het project Hart van Dieren onder de inwoners van de gemeente Rheden zorgt voor een soepel verloop van procedures en processen tijdens de volgende fasen van het project;
­ Dat dit draagvlak nu niet onomstotelijk vaststaat;
­ Dat de gemeenteraad de veronderstelde kloof tussen burger en politiek een positieve impuls wil geven door de bevolking de mogelijkheid te geven zich uit te spreken over het project Hart van Dieren;
­ Dat met het aannemen van de besluiten ten aanzien van het project Hart van Dieren nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet;
­ Dat een referendumverordening waarmee het mogelijk wordt om een referendum in de gemeente Rheden uit te schrijven wordt voorbereid ;

Besluit:
­ Een referendum over het project voor Hart van Dieren uit te schrijven;
­ Dit referendum in overeenstemming te laten zijn met de nog te vast te stellen refrendumverordening;
­ De vraagstelling voor dit referendum op korte termijn doch uiterlijk zes weken voorafgaand aan de datum waarop het referendum wordt gehouden vast te stellen;

En draagt het College van Burgermeester en Wethouders op:
­ Direct te starten met de organisatorische en logistieke voorbereidingen voor het uitschrijven van een referendum over het project Hart van Dieren waarbij zij rekening houdt met de nog op te stellen referendumverordening en met de nog te nemen besluiten van de gemeenteraad;
­ De datum waarop het referendum wordt gehouden vast te stellen op een nader te bepalen datum die ligt vóór 1 juli 2006;

En gaat over tot de orde van de dag
fractie Leefbaar Rheden

woensdag 9 april 2008

Extern onderzoek: Conclusies over de verantwoordelijkheid

Conclusies over de verantwoordelijkheid

9. Iedere betrokkene is vanuit zijn eigen rol verantwoordelijk:
• De stuurgroep is er niet in geslaagd om met overzicht in financiële zin aan het stuur van het project te zitten. De oorzaken zijn in de voorgaande conclusies onderbouwd.
Hier staat een waarheid als een koe. Letterlijk. De stuurgroep was niet in control. De bestuurlijke controle was onvoldoende. De bestuurlijke controle heeft volledig gefaald.
En........wat gaan we daar nu dan aan doen?

• De projectdirectie is teveel onderdeel geworden van het politieke proces, is er niet in geslaagd om het project adequaat en met overzicht te managen en is er niet in geslaagd om ook adviseur van de gemeente te zijn.
Ja wat wil je nou?. De projectdirectie deed de provinciale belangen.
• Het College van B&W was door diverse oorzaken de facto niet ‘in control’. Het college van B&W heeft de raad niet adequaat kunnen informeren over de financiële voortgang en heeft het project niet tot een ‘gemeentelijk project’ weten te maken.
Nog zo een. Natuurlijk niet. Het college van B&W “zat er bovenop”. Zo konden ze nooit zien wat er onder hun ... gebeurde.
Ook hier geldt: de bestuurlijke controle heeft gefaald. En ook hier is de vraag wat we daar nu aan gaan doen.
• De raad is nooit ‘eigenaar’ van het project geweest. De raad liep vanaf begin van de planfase achter de feiten aan, heeft de kaderstellende en controlerende taak onvoldoende ingevuld en werd daartoe ook niet in staat gesteld. De nadruk is steeds meer op de volksvertegenwoordigende rol komen te liggen De raad is onmachtig gebleken in dit project.
De raad is nooit eigenaar van het project geweest omdat de raad nooit eigenaar van het project wilde worden. In mei 2005 heeft ze bewust die kans laten lopen. En ze heeft dat nog eens dunnetjes over gedaan in november 2005. Het rapport verzwijgt zaken. Ik had het kunnen weten. In mijn naïviteit heb ik toch mijn medewerking aan het onderzoek gegeven. Volkomen overbodig. Had ik niet moeten doen. De inhoud van het interview dat ik met de onderzoeker had is door de Lysias-onderzoeker, de begeleidingscommissie of door beiden zorgvuldig buiten het rapport gehouden. Dat zou ook al te pijnlijk zijn nietwaar. En het zou nog maar weer eens duidelijk gemaakt hebben dat B&W en de Raad wel degelijk gewaarschuwd waren. Van mijn interview met de onderzoeker heb ik in het rapport niets teruggevonden. Mijn verklaringen zijn zorgvuldig uit het rapport gehouden. Net als de inhoud van de moties die wij op 31 mei 2005 en 7/8 november 2005 hebben ingediend. Geschiedvervalsing en het manipuleren van de waarheid. Daar kom ik uiteraard nog wel even op terug.
De duiding van de afzonderlijke verantwoordelijkheden is slechts een deel van het verhaal. Juist in de gezamenlijke invulling van de verantwoordelijkheden van alle betrokkenen ligt de oorzaak van het falen van dit project. Cruciaal is dat juist het samenspel tussen stuurgroep, projectdirectie, college van B&W, ambtenaren en de raad heeft geleid tot de problemen.
En ze hadden nog wel zo keihard "samengewerkt".

10. Er was bij de samenwerkingspartners te weinig ervaring met dit soort complexe gebiedsontwikkelingsprojecten.
Bij gebiedsontwikkeling worden door verschillende betrokkenen verschillende opgaven op een integrale en samenhangende wijze opgepakt. Dat betekent altijd dat het complexe projecten zijn, zowel in de aard van het project (de integrale verbinding van verschillende opgaven) als in het proces (verschillende partijen met verschillende ‘achterbannen’ en deelbelangen). Gebiedsontwikkeling was een relatief nieuw fenomeen voor alle betrokkenen. Er was weinig ervaring met dergelijke projecten. Achteraf constateren we dat het – zowel de afzonderlijke partijen als de partijen gezamenlijk - heeft ontbroken aan voldoende kennis en ervaring met een dergelijk project. De provincie had wel ervaring met grote infrastructuurprojecten maar geen ervaring met de combinatie van gebiedsontwikkeling met infrastructuur. De dynamiek van gebiedsontwikkeling, de afhankelijkheid van de infrastructuuropgave van de uitkomsten van de gebiedsontwikkeling en de eisen die worden gesteld aan de financial control van een project met een ‘fixed budget’ zijn onderschat.

De gemeente had geen ervaring met een dergelijk complex project en had in de eigen organisatie ook niet de competenties in huis om de gebiedsontwikkelingsopgave binnen het grotere geheel van het project te kunnen beheersen.

ProRail had misschien nog wel de meeste ervaring die nodig was voor dit project. Maar gelet op de bijzondere rol en positie van ProRail waren zij slechts zijdelings betrokken bij de het verbinden van de infraopgave met de gebiedsontwikkeling.
Ach ja. Je kunt het ze niet echt verwijten want ze konden er niets aan doen begrijp je? Ze hadden immers geen ervaring. Het kostte wel ’n paar centen, er vielen zo links en rechts wat slachtoffers en bijna was er een volksopstand uitgebroken maar wat wil je. Dat gebrek aan ervaring is ons opgebroken. Maar joh, iedereen heeft wel naar eer en geweten samengewerkt.